Afbeelding

Willem: Een Joodenkarrek

Algemeen

Tijdens de koffie op zaterdag duiden we de tijdgeest. We zijn daar goed in. ‘De warreld lopt op z’n eande’, is meestal de slotconclusie. Het zal deze middag niet anders zijn. ‘Nou, ij mag niet maar miedoen, hè!’, zegt Schoonzus. ‘Wie niet?’, wil Broer weten. ‘Joost Klein’, zegt Schoonzus. ‘Wie is dat dan wier?’, doet Broer alsof hij in een doos leeft. En omdat Broer natuurlijk geen verstand heeft van ‘warreldse zaken’, legt Schoonzus het allemaal nog eens dunnetjes uit. Wat een Songfestival is, dat heel veel landen daar een liedje zingen, dat Israël ook meedoet, dat er daarom extra beveiliging is en dat de Nederlandse deelnemer Joost heet en agressief heeft gedaan naar een cameravrouw. ‘In nou is ie diskwallificierd’. ‘O juust!’, veinst Broer. Maar dan blijkt ineens zijn geheugen het weer te doen. En hij heeft ook iets van een mening: ‘Et is allemoal ‘Uuro-papa’ in ‘Verbinding’, maar et binnen wolleven in skaapsklieren. Vrede, vrede, zal men zeggen. Maar daar is geen vrede!’