Het Urkerland

Een erfenis die niet doorging...

Op Urker verjaardagen is er al heel wat gesproken over de erfenis van Boukje. Een verhaal dat zich jaren geleden afspeelde op Urk en waar eigenlijk de bovenste steen nooit van boven gekomen is. Zal het mysterie rond de veelbesproken erfenis ooit ontrafeld worden? In ieder geval bood het verhaal voldoende inspiratie voor de komende voorstelling van Urk op de Planken en was het voor plaatsgenoot Gerrit Post (de Balpinne) reden om onderstaand verhaal te schrijven.

Zes jaar lang heb ik het genoegen gehad om dicht bij m’n bessien te wonen, Trien van Boutjen (ze heette eigenlijk Baukje, maar op Urk werd dat Boutjen). Een genoegen, niet alleen omdat ze een gezellig oud mens was – ze was niet verzuurd ondanks de grote slagen in haar leven. Twee volwassen kinderen en een opgroeiende jongen moest ze aan de dood afstaan, haar man vrij vroeg verloren. Ze zei eens: ,,Ik heb wel eens gedacht, nu kan ik nooit meer lachen.”

Een genoegen zei ik, want ze was de moeder van mijn jong overleden moeder, die al in 1935 op 32-jarige leeftijd op het oude kerkhof was begraven. Als je nagaat dat ik van 1932 ben, dan begrijpt u dat ik weinig aan m’n moeder heb gehad. Dat zijn drama’s in een kinderleven. Mijn vader Louwe Post heeft mijn bessien altijd moeten beloven dat zij in het graf van haar dochter moest. En dat is ook gebeurd, in 1960 is Trien van Boutjen bij dochter Boutjen begraven.

Wie was Trien van Boutjen eigenlijk, deze ijverige vrouw die een druk beklant winkeltje had? Als ik deze vraag ga beantwoorden, dan moeten we terug in de tijd naar het jaar 1825. De twaalfde december 1825 werd op het eiland Urk geboren Age Kramer. Deze man was de vader van m’n bessien. Haar meisjesnaam was dus Trijntje Kramer. Mijn overgrootvader is getrouwd te Lemmer op 4 maart 1852 met Baukje Frans Visser, ook genaamd Friese Boutje. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren. Als ik die kinderen een voor een ga noemen, dan lijkt dit verhaal saai te worden, maar dan wordt het juist interessant. De eerste twee waren jongens. De oudste was Jan Kramer, geboren te Lemmer in 1855. Jan was visser op de stoomtrawler ‘Dolphijn’ en is op 27 oktober 1900 verdronken op de Noordzee. Deze Jan liet een vrouw en elf kinderen na. Het elfde kind heette Lammertje en werd na getrouwd te zijn met Cornelis Wielsma de moeder van dominee Theo Wielsma. Theo en de schrijver van dit verhaal hebben dus dezelfde overgrootvader gehad. De tweede zoon was Rinze Kramer, visser op de UK 117 en is op 24 oktober 1882 ook op de Noordzee verdronken. Toen Rinze verdronk, leefde vader Age nog want die is in 1896 op Urk gestorven. Als je het boek ‘Zee op’ gelezen hebt, geschreven door Lub Kramer, dan ga je denken ‘het is een wonder dat Age aan de wal overleden is’. Age was een ijverige visser en een onverschrokken zeeman, die zelfs bij stormweer de rust zelve was.

Maar we moeten verder. Het derde kind van Age en Baukje was Francina Kramer, overleden in 1921. Het vierde kind was Grietje Kramer. Deze Grietje was een dame in Urker klederdracht, zo kan ik haar herinneren. Grietje Kramer is getrouwd met Pieter Kramer en uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren. Haar oudste heette Geertje en werd verpleegster in het voormalig Nederlands Indië en is in Buitenzorg (Java) getrouwd met Cornelis de Vries, onderwijzer en auteur van Geschiedenis van Urk. Geertje was ook een dame, want ik heb nog een vergeelde brief waarin mijn moeder aan m’n vader schrijft: Morgen komt Geertje van tante Griet, zorg dat de zaak netjes is! Deze Geertje ligt begraven op begraafplaats Holkenkamp. Zoals ik al schreef, deze Grietje had ook nog een dochter die Baukje heette. Zij trouwde met Albert Hakvoort (Albert van Inte). Daar zijn Grietje van Rein Bos en Pieter Hakvoort, oud-raadslid, van afkomstig. Voor ik echter verder ga, even pas op de plaats. Door de soms uitvoerige persoonlijke gegevens probeer ik te bewijzen dat de nazaten van Age Kramer niet van lotje getikt zijn, om zich een erfenis door de neus te laten boren. Grietje Kramer haar zevende kind heette Aaltje en is getrouwd met Philippus ten Napel, hoofd afdeling Financiën van de gemeente Velsen. Tenslotte de laatste twee dochters van Age en Baukje. Die zijn niet in Lemmer geboren, want onze overgrootouders verhuisden naar Urk en daar zijn Klaasje Kramer en mijn bessien geboren. Klaasje trouwde later met Koert Bakker en om enkele namen te noemen: Reinier Bakker de vishandelaar een zoon en Sita ten Bokkel en Jaap Bakker (van de ginkiestochten) waren weer kleinkinderen. Alle kinderen van m’n bessien zijn inmiddels overleden en zijn op het hedendaagse Urk niet meer zo bekend. Misschien alleen tante Aagje nog, de jongste zuster van m’n moeder die met Hessel Korf van de UK 28 getrouwd was.

En ja beste lezers, nu gaat eigenlijk het verhaal van de erfenis beginnen. Ik zal dit summier doen, ook al om het niet te lang te maken, ik kan niet meer schrijven dan mij door m’n bessien is verteld.

Age Kramer overleed zoals ik al schreef in 1896. M’n bessien was in 1893 met Albert Koffeman getrouwd. Dus Friese Boutjen bleef alleen achter. De overgang van Lemmer naar Urk moeten we niet onderschatten, want Urk was een eiland. Toen is het gebeurd na de dood van haar man Age, waarschijnlijk rond de eeuwwisseling, dat er een brief kwam uit Leeuwarden over een grote erfenis. Als men bedenkt dat de armoede groot was op het eiland, sloeg dat bericht in als een bom. Friese Boutjen was tijdens haar Urker verblijf een nuchtere Friezin gebleven. Een historische uitspraak van haar was, als ze het over bepaalde vrome lieden had: ‘Ze hebben een mooi praatje aan de kont, maar ze konden me beter een rijksdaalder geven!’ Zo’n uitspraak moet je zien in het raam van die tijd. Er waren geen sociale wetten en haar man Age had met al zijn ijver niets voor de oude dag kunnen overhouden. M’n bessien vertelde dat haar moeder al een bejaarde vrouw was en niets met die brief te maken wilde hebben. Maar van alle kanten werd er druk op haar uitgeoefend. Haar kinderen en de diakonie van de kerk: Boutje ga naar Leeuwarden!

Maar niet alleen op Urk, ook in de Lemmer had een familielid van Baukje, een zekere Lubke, een brief gekregen. De vreugde in de Lemmer was zo groot, dat het volgende rijmpje in omloop was: ‘Lubke, die kan erven, zalig zal ze sterven, en dan krijgen we een groot fabriek, dan wordt heel de Lemmer riek!’ M’n bessien vertelde me: ,,Zo waarlijk als ik eenmaal voor God moet verschijnen, zo waarlijk is toen Friese Baukje over schotsen en bonken (want het was winter) naar de Lemmer vertrokken en daarna naar Leeuwarden.’’

Het einde van dit verhaal is gauw verteld, in de Friese hoofdstad aangekomen vernam Baukje van de notaris dat er één lettertje aan mankeerde... U begrijpt hoe gedesillusioneerd het gezelschap op Urk terugkwam. Toen Friese Baukje platzak op Urk terugkwam, moet één van haar dochters vertwijfeld uitgeroepen hebben: ,,Ik kon wel als Job een potscherf nemen om me te krabben.’’ Als m’n bessien deze geschiedenis vertelde (op verzoek meermalen) dan zei ze vaak: ‘Geld maakt niet gelukkig, maar je kunt je er kostelijk mee redden.’

Veel vragen blijven er over. Wie was dat rijke familielid? Waar is hij rijk geworden? Wie was die notaris? Meer dan honderd jaar lang zijn er diverse onderzoeken verricht, echter tevergeefs. Er hangt een geheimzinnige waas over dit verhaal. Meer kan en wil ik er niet over zeggen. Toch hoop ik u niet verveeld te hebben.

Meer weten? De toneelspelers van Urk op de Planken hebben zich laten inspireren door het verhaal van Friese Baukje en de nieuwste voorstelling draait dan ook om het thema ‘Erven’. Het toneelstuk draagt als titel ‘Wat skuft ‘t?’ en wordt van dinsdag 31 oktober tot en met zaterdag 4 november iedere avond in Zalencentrum Irene opgevoerd. Per avond zijn 275 kaarten beschikbaar, de voorstellingen beginnen om half acht en duren tot ongeveer half elf.

De kaartverkoop is aanstaande zaterdag, 21 oktober, tussen half tien en half één in Zalencentrum Irene. Vanaf één uur kan men terecht in Kwalitaria De Bolder voor de kaarten die dan nog over zijn. Kaarten kosten 13,50 euro.