
(voor)leesverhaal
Ut kessien van m'n bessien
Als kind keek ik vaak naar het kessien van mijn bessien. Er was iets mysterieus aan. De houten laatjes met de klinkertjes werden regelmatig gebruikt. Dat zag je zo. Ze schoven makkelijk open en dicht en er zaten krassen op. In een van de laatjes lagen de rijksdaalders die bessien uitdeelde in de decembermaand. Elk kleinkind kreeg zo'n geldstuk. Het linkerdeurtje bovenin bleef, in tegenstelling tot de andere, altijd hermetisch gesloten. Het rechterdeurtje stond weleens op een kier. Daar bewaarde mijn bessien haar zondagse hulle, haar dotten en vele spelden en kralen. De twee deurtjes onderin verborgen het zondagse servies. Elke laatste maand van het jaar lag er een rij lichtjes op de rand in verschillende kleuren. Ze wierpen juist op dat ene deurtje een geheimzinnige gloed en dat maakte de aantrekkingskracht nog groter.
Als iemand van ons - haar nieuwsgierige kleinkinderen - het deurtje probeerde te openen, had bessien altijd wel een afleidingsmanoeuvre die je een stap achteruit deed zetten. Ze kuchte nadrukkelijk of ze riep streng dat je weer op de grond moest gaan zitten. Neef Kees is nogal nieuwsgierig en als hij van haar iets uit het laatje moest pakken, morrelde hij aan het deurtje. Maar het gaf natuurlijk niet mee. De bronzen sleutel werd zorgvuldig bewaard in haar boezel.
Het prikkelde mijn nieuwsgierigheid en deed me vanaf mijn eerste herinneringen al vermoeden dat de afgeschermde inhoud weleens van meer betekenis kon zijn dan ik ooit kon bevroeden. Soms als we bij haar op visite waren en vroegen wat er achter dat linkerdeurtje te vinden was, gaf ze een ontwijkend antwoord. De sleutel kreeg niemand, maar het was wel het eenvoudige antwoord om het bewaarde geheim te ontrafelen.
Bijna raak...
Op een keer zat ik voor het kessien te staren naar de lichtjes en zag de bronzen sleutel gewoon in het deurtje staan! Was bessien vergeten om hem in haar boezel te stoppen? Ik was alleen in de kamer en bessien rommelde wat in de keuken. Dit was mijn kans om eindelijk dat deurtje te openen. Maar hoe kon ik ervoor zorgen dat bessien voorlopig niet in de kamer kwam? Het antwoord op deze vraag kwam vanzelf. Plotseling hoorde ik bij het aanrecht iets op de bruine tegels vallen en ik begreep dat ik dit moment moest waarnemen.
Ik draaide aan de sleutel en piepend viel het ene deurtje open. Maar dat was ook het moment dat bessien achter mij stond en met dezelfde vaart het kessien weer sloot. Haar rimpelige handen reageerden ongelofelijk snel. Haar rechterhand draaide aan de sleutel en haar linker rustte op het bruine hout. Alsof ze een belofte had gedaan dat niemand daarachter zou kijken. De sleutel verdween in haar boezel en ze haastte zich zonder wat te zeggen weer naar de keuken. Alsof ze bang was dat ik moeilijke vragen ging stellen, maar in mijn hoofd vermenigvuldigden ze zich. Het enige dat ik gezien had was een flits van een doos. Meer niet. Zou er een miljoen in zitten? Juwelen? Een ketting zoals Merie die droeg? Goud? Zoals de wijzen dat ooit meebrachten voor het kindje Jezus?
***
Nu ben ik volwassen, verloofd en kijk ik uit naar de trouwdag met mijn Jan. We staan met z'n allen in het kleine kamertje voor het kessien van mijn bessien. Het is de dag voor kerst en de dag na haar begrafenis. Zes dagen geleden was ze plotseling in haar slaap heengegaan.
Mijn vader had haar gevonden toen de velours overgordijnen te lang dicht bleven. In eenzaamheid was ze de weg gegaan van alle vlees. De dag van haar begrafenis was een bewolkte, kille dag waarop de zon zich maar even liet zien. Dat was op het moment dat de kist in de aarde verdween. De stralen verlichtten een ogenblik het pad met de kiezelsteentjes toen we de dodenakker afliepen. En toen ik het autoportier sloot, was het weer kil, grijs en grauw.
Vandaag is het uur aangebroken dat mijn vader mij de sleutel heeft overhandigd. Ik sta hier als oudste kleinkind met de sleutel in mijn trillende handen. Nu ben ik zomaar bevoegd om het geheim te onthullen. Altijd was de bronzen oplossing verstopt in de boezel van mijn bessien. Op die ene keer na, maar toen was ze er als de kippen bij om mij dat ding afhandig te maken. Ik kijk nog eens naar de sleutel en beweeg hem van mijn ene hand in de andere. Wat uniek eigenlijk om iets te openen, terwijl ik geen eigen kind ben, maar wel een bijzondere band had met mijn bessien.
Mijn hand trilt van spanning als ik de sleutel in het slot steek en omdraai
Ik voel de ogen van mijn familieleden branden in mijn rug als mijn vingers de sleutel in het slot steken. Even overvalt mij het gevoel dat bessien vlak achter mij staat om de sleutel eigenhandig weer af te pakken. Maar m'n lieve bessien is er niet meer om mij tegen te houden. Mijn hand trilt van spanning als ik de sleutel omdraai.
Eerst lijkt het of het deurtje niet open wil. Alsof het zich wil verzetten nu de belofte om het geheim te bewaren wordt verbroken. Maar dan zwaait het piepend open en ik zie de doos staan, waar ik ooit een glimp van zag.
Ik hoor alleen de statige Friese staartklok tikken. Driftig, alsof het mij tegen wil houden. Ik pak voorzichtig de antieke doos en zet hem met een zachte bons op tafel. De aanwezigen in de kamer maken een kring en kijken gespannen toe. De stilte drukt zwaar en ongemakkelijk. Ik kijk naar mijn vader. Misschien wil hij toch liever zelf de doos openen? Maar hij knikt mij bemoedigend toe.
‘Waarom heeft m’n moeder toch altijd zo geheimzinnig gedaan?’ vraagt tante Lies zich af.
‘We mochten echt nooit achter dat ene deurtje kijken’, zegt ome Lukas.
‘Niemand kreeg die kans’, is de stellige opmerking van tante Jans.
‘Het kessien van m’n bessien heeft deze schat goed kunnen verbergen’, is de conclusie van neef Jaap.
Janne, komt er
nog wat van?
Ik blijf naar de doos kijken alsof die uit zichzelf het geheim gaat vertellen. ‘Janne, komt er nog wat van?’ klinkt zacht de stem van mijn vader.
Mijn handen trillen als ik het deksel van de doos pak. Ik voel een teleurstelling tot in mijn tenen. Geen gouden schat, geen ketting, geen juwelen, geen miljoen. Bovenop een stapel zie ik een vaalgroen zeemansboekje. Ik pak het eruit en graaf verder. Misschien ligt er een schat op de bodem? Brieven, foto’s, kaarten en krantenknipsels leg ik op de tafel. Ze worden meteen weggegrist door mijn familieleden. Het enige dat overblijft is een klein doosje van een juwelier. Is dit het dan?
Ik snap er helemaal niets van
Waarom deed mijn bessien zo geheimzinnig over een paar paperassen en een juweliersdoosje dat mijn verloofde mij nog niet zo lang geleden ook tentoonstelde? Waar is het goud en geld waar ik over fantaseerde in mijn kinderjaren?
Mijn vader is met een denkrimpel boven zijn neus op een van de stoelen bij de tafel neergezakt. Hij bestudeert het vaalgroene zeemansboekje. Daarna opent hij het juweliersdoosje en haalt er een gouden ring uit. Secondenlang wrijft hij over zijn stoppelbaard. ‘Ik… ik snap er helemaal niks van’, stamelt hij. ‘Waarom heeft mijn moeder dit altijd voor ons verzwegen?’
Vragend kijk ik zijn kant op. Heeft hij het antwoord op het raadselachtige gedrag van mijn bessien? Of blijft het voor altijd verborgen? Hij drukt het zeemansboekje in mijn handen en ik zie op de eerste pagina een foto van een knappe jongeman.
Is dit mijn bèbe? Een zoon van mijn bessien? Haar vader? Ik kijk de kring eens rond alsof ik familietrekken heb gemist.
Nee, de man lijkt op niemand die ik ken. Echt niet.
‘Evert Jan Cornelis van den Berg’, zeg ik hardop. ‘Geboren op 24 maart 1936. Wie is dat?’
‘Hier, bekijk dit eens?’ Mijn vader duwt het gouden geval in mijn handen. Ik laat het glimmende ding door mijn vingers rollen en ontcijfer de binnenkant. Daarin staat dezelfde naam als in het vaalgroene zeemansboekje: Evert Jan Cornelis van den Berg en een datum: 24 december 1959.
Een geheime relatie?
Allerlei gedachten strijden om voorrang in mijn hoofd. Was mijn bessien vlak voor kerst met deze jongeman verloofd? En wat is er dan gebeurd? Of heeft ze een geheime relatie gehad? Meteen duw ik die laatste gedachte aan de kant. Dat kan natuurlijk niet. Ik zie haar nog zitten met de Bijbel op schoot, waaruit ze elke dag kracht putte om weer verder te gaan. Haar vingers in elkaar verstrengeld als ze stilletjes uit het raam staarde. Nee, geen geheime relatie voor mijn bessien.
Maar wat dan? En waarom wist niemand iets van Evert Jan Cornelis? Mijn ogen dwalen weer naar mijn vader. Hij houdt een gelige brief met een sierlijk handschrift vast. De anderen hebben ook iets in hun handen.
‘Luister even, ik lees wat voor’, komt de stem van mijn vader. Ik hoor een trilling in zijn stem en ik zie dat zijn gezicht de gewone kleur heeft verloren.
‘Niemand weet wat er die nacht gebeurd is. Er blijven zoveel vragen, waarop wij het antwoord niet weten. Wij weten zo bitter weinig. De zee heeft zijn lichaam nooit prijs gegeven. Nooit is er iets tastbaars van hem teruggevonden. Ik ben mijn lieve Evert Jan voor altijd kwijt.’
Hij graait naar wat berichtgevingen uit kranten. Ik zie de naam van Evert Jan Cornelis een aantal keren staan. ‘Mijn moeder is verloofd geweest met deze jongen en hij is op zee omgekomen. Maar het zal altijd een raadsel blijven waarom ze hierover zweeg. Ze heeft veel geleden in de stilte.’
Weer wrijft hij over zijn stoppelbaard en zucht hoorbaar.
Verdriet, zo zwaar, erover praten ging blijkbaar niet
Een paar uur later zit ik alleen voor het kessien van mijn bessien. Iedereen is weer naar huis toe. Ook mijn vader. ‘Ik kom zo wel’, had ik hem toegefluisterd. Ik moet dit alleen even verwerken. Ik lees de brieven uit de goedbewaarde doos, bekijk een foto waarop Evert Jan Cornelis te zien is en laat nog een keer de gouden ring door mijn vingers glijden.
Dan kijk ik naar mijn eigen ring om mijn linker ringvinger. Ik moet er niet aan denken om mijn Jan kwijt te raken. Wat heeft mijn bessien, naar wie ik vernoemd ben, veel geleden. Ze heeft erover gezwegen. Blijkbaar was het verdriet zo zwaar, dat ze er niet over kon praten. Ze heeft het haar leven lang weggestopt.
Ik kijk naar het linkerdeurtje, open het en leg de doos met de inhoud zorgvuldig terug. Dan neem ik een besluit. Ik ga mijn vader vragen of het kessien van mijn bessien een plek mag krijgen in de woonkamer van mijn toekomstige huis.
