
Een avond met dominee Cees en vier klasgenoten
Ik ga vroeg de deur uit op deze vrijdagavond. De afstand tussen mijn huis in de Oranjewijk en het Oude Dorp is nog steeds wennen. Eigenlijk woon ik gewoon in de polder. Het kerkje van Tollebeek is dichterbij dan het Kerkje aan de Zee, mijn bestemming deze avond.
Als je dan toch naar het Oude Dorp gaat, kun je er beter ook een flinke kuier over de haven aan vastkoppelen. Het is koud, donker en rustig, behalve op de Westhaven, waar ondanks de kou een groepje arbeidsmigranten - waarschijnlijk uit Polen - buiten hun onderkomen zit te praten en te drinken. Ik ga het oogien op achter de Bethelkerk en loop richting de Oude Bakkerij. Zoals hier in het centrum van het Oude Dorp vind je het niet in onze nieuwbouwwijk: prachtige verlichting van het Oude Raadhuis, het kantoor van Hoekstra B.V. – voor mijn generatie nog steeds ‘het oude jeugdgebouw’.
Ik kijk en herken de personen van het glasmozaïek in het verlichte ronde raam van de Bethelkerk, met hetzelfde thema als het beeldend kunstwerk voor de kerk op het plein: ‘De wonderbaarlijke visvangst’.
Op dit Wilhelminaplein was een kleine vijftig jaar geleden in een voormalige bankvestiging het eerste zelfstandige kantoor van Het Urkerland. Houten panelen voor het raam met daarop de meest recente redactiepagina’s maakten duidelijk dat hier een krant gemaakt werd. Later kwam er een paneel met geboortekaartjes bij, die in de oude kluiskelder van het voormalige bankgebouw gedrukt werden door de helaas veel te vroeg overleden Albert Ekkelenkamp. Het was het begin van een bijzondere groei van wat daar in het klein begon...
Ik kuier het ginkien in richting de Magneet en dwaal wat door de kleine straten. Herinneringen aan vroeger, aan Jante en Sijtjen, ‘de Driepuut’, Jan van Fökkien en Frissien Bode in die buurt. Herinneringen die me al een beetje op het nostalgische spoor zetten van wat die avond nog gaat komen. Via de Slikoogte kuier ik naar boven. Het licht op het Kerkje aan de Zee is mooi, het schijnsel dat van binnen uit de kerk komt niet minder, het maakt het plaatje af.
Wilde krullen, licht bebaard en vooral een brede lach.
Dat is Cees Romkes
zoals ik hem ken.
Ik ben vroeg, maar zeker niet de eerste. Joke Kramer-Gerssen en Jo Visscher begroeten aan de deur de bezoekers aan de Urker Vesper en reiken een liturgie aan. Natuurlijk geschreven in de Urker taol. Achter hen, in de deur van de consistorie, staat de predikant van die avond. Wilde krullen, licht bebaard en vooral een brede lach. Dat is Cees Romkes zoals ik hem ken. Vanaf ons zesde tot ons achttiende jaar deelden we de schoolbanken, van de ‘ouwe’ Wilhelminaschool naast het Kerkje aan de Zee tot de CSG in Emmeloord. Mooie jaren, een beetje wild en onstuimig soms, misschien wel vaak…, maar ook serieus met veel discussies en betrokkenheid bij alles wat er in de wereld gebeurde.
Na mij komen de twee neven Jan van den Berg binnen. Jan L-zoon en Jan J-zoon noemden we ze toen en zo noem ik ze nog steeds, hoewel we al meer dan 55 jaar niet meer bij elkaar in de klas zitten. Met een grote lach komt even later nog een oud-klasgenoot het kerkje binnen: Jelle van Urk, een kop groter dan wij, zoals dat vroeger ook al was. Met dominee Cees erbij zo maar vijf klasgenoten van de lagere school, onafgesproken bij elkaar op een najaarsavond in het Kerkje aan de Zee.
Het wordt druk in het halletje en we spreken met Cees af om na de tijd nog even bij te praten. Achter in de kerk zoeken we een plekje, want een kerkdienst of bijeenkomst vult zich op Urk altijd van achteruit.
Kom op, als ouwe klasgenoten hebben we recht op een plekje vooraan, zeg ik en we zetten ons op de voorste rij neer. Ut et zo moeten weezen, zegt Jan J-zoon, de meest spirituele van ons. Geboren als zoon van Fetjen. Zijn vader Jan, naar wie hij is vernoemd, was al verdronken voordat Jan het levenslicht zag.
Jan L-zoon vertelt over zijn ziekte, dat hij moeilijke jaren heeft gehad en dat het een wonder is dat hij er nog is. En maot Jelle, die in zijn jonge jaren een ernstig ongeluk kreeg en na een zware coma toch weer ontwaakte, lacht en geniet zichtbaar van het weerzien.
We hebben moeite om de klasgenoot van de dominee te onderscheiden
We luisteren deze avond naar Cees en hebben moeite om de klasgenoot van de dominee te onderscheiden. Dat komt misschien ook omdat de Urker Vesper natuurlijk in de Urker taol is. Het bidden blijf ik onwennig vinden - het Urkers kent immers geen U - maar het zingen in het Urkers vind ik mooi. Niet in de minste plaats omdat ik naast Jelle zit. Met zijn prachtige en zuivere stem lijkt hij iedereen in het kerkje op sleeptouw te nemen.
De preek van Cees was bijzonder. Misschien wel een beetje modern voor Urker begrippen. Naar aanleiding van Spreuken 31 en de tekstregels:
'Een starke vrouwe, wie zal eur veenen?
Ze is maar waard as edelstienen.'
Volgens dominee Cees mogen we op Urk wel andere keuzes maken, ook wat betreft de rol van de vrouw binnen de kerken. Half in zijn preek stopt hij, en kijkt naar ons, op de voorste bank. Het raakt hem. ,,Jongens, et is toch wel bizonger dat juulie daor as ouwe klasgenoten op disse aved zo bij enkanger zitten. Dat dut m’n wel wat."
We zingen Psalm 103. En dat doet óns wat. We weten het allemaal nog: de aangrijpende dienst in de Petrakerk toen ons tienjarige klasgenootje Alie Post en haar zusje Hendrika werden begraven. We zongen als klas toen van Psalm 103: Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Gelijk een bloem, die op het veld verheven, Wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teer.
Na de dienst kuieren we door de Prins Hendrikstraat naar Cultuureus Tromp de Vries. We praten - vanzelf - over vroeger, over de vader van Cees, destijds een vooraanstaand lid van de Gereformeerde kerk en met een preekconcent. Hij hoopte op basis van artikel 8 van de kerkorde predikant te worden. En over de oude en geliefde hoofdonderwijzer Rein Bos.
Op het schoolplein werd Cees belaagd door een andere jongen, en Cees dreigde daarop een steen naar hem te gooien. Meester Bos zag het en naam hem rustig mee de school in naar een lege gang. Nu - bijna zestig jaar later - weet hij nog precies wat de vaak zachtaardige hoofdonderwijzer zei: Cees, Cees, Die als Hij gescholden werd niet wederschold; en als Hij leed niet dreigde…
Het verhaal tekent zowel de hoofdonderwijzer als de jonge Cees Romkes. Volwassen en wijs, tegenover jong en onstuimig.

