
'Bijna heel Urk ging toen in de vis'
Je werd visserman of je ging ‘in de vis’. Dat was decennialang de voor de hand liggende beroepskeuze op Urk. Teunis Snoek (70) zou eigenlijk visserman worden, maar het werd ‘in de vis’. Zesenvijftig jaar later staat hij er nog steeds, maar het werken ‘in de vis’ is nu heel anders dan toen hij daar als veertienjarige begon.
Teunis zat in de tweede klas van de visserijschool en was vast van plan om visserman te worden. Na een weekreisje met de kotter kon dit toekomstplan over boord. ,,Bij de eerste bewegingen van de kotter werd ik al zeeziek en wie dit ooit geweest is, weet hoe je je dan voelt. Als een vaatdoek in de kooi en ik knapte pas op toen ze zeiden dat we naar huis gingen. De kotter bleek echter drie uur verderop te stomen naar een nieuw visbestek en prompt sloeg de zeeziekte weer toe. Ik was blij dat ik aan het eind van die week weer vaste grond onder de voeten had. En dan te bedenken dat het volgens de bemanning die week ‘geelblak’ was geweest”, blikt Teunis terug op zijn vissermanservaring.
Grote vraag naar fileerders
Na twee jaar visserijschool zag Teunis het nut van een derde leerjaar niet in en zag meer heil in een beroep als visfileerder. Op de eigen Urker visafslag werd meer vis aangevoerd dan er verwerkt kon worden en de vraag naar fileerders was groot. Bos Diepvries leidde eigen mensen op en richtte zich vooral op het fileren van de kleinere scholsorteringen 3 en 4 voor de retailmarkt aan Unilever. ,,Mijn oudere zus werkte daar ook, dus Bos Diepvries was voor mij een logische keus. Probleem was echter dat de nieuwe Leerplichtwet in 1969 kinderen verplichtte om tot het vijftiende jaar op school te blijven. Er werd van huis uit geen druk gezet om door te leren. Je had immers voor het werken in de vis geen diploma nodig en ik denk dat mijn moeder een extra loon wel kon gebruiken. Mijn vader verdiende als schilder niet zoveel en kreeg als zelfstandige voor de eerste twee kinderen geen kinderbijslag. Je kon ontheffing vragen en mijn moeder ging naar het gemeentehuis om dat te regelen. We hadden een groot gezin en de leerplichtambtenaar deed dan niet zo moeilijk. Met de ontheffing op zak stond ik samen met mijn zus op maandagmorgen om vijf uur voor de deur bij Bos Diepvries. De werkdagen duurden daar tot half vijf, met tussendoor pauzes om te ontbijten, koffie en ’s middags naar huis om de kost.”
Onderlinge competitie
In de fileeropleiding bij Bos Diepvries stond je twee weken op vast loon en daarna werd je per kilo betaald. Het fileren stond volgens Teunis toen eigenlijk nog in de kinderschoenen. ,,Mina Korf leerde mij toen fileren en dat ging per kant van de schol nog in vijf keer. Door de onderlinge competitie tussen de fileerders verminderde het aantal snedes al snel. En dat ging niet zomaar, want dan kwam Mina Korf wel even kijken of de scholfilet nog wel aan de eisen voldeed en je het rendement wel haalde. We kregen in die tijd 28, 30 of 32 cent per kilo, afhankelijk van het behaalde rendement. Je kon de 34 cent halen, dan moest elke filet perfect zijn, maar dan moest je die dag niet meer dan tien bakken doen. Dat haalde dus niet uit voor fileerders die wat wilden verdienen.”
In de herinnering van Teunis was de tijd bij Bos Diepvries een mooie tijd. ,,Ik werd tussen de vrouwlui gezet en kreeg daar als groentje een heel stuk ontwikkeling mee op elk terrein. Van de laatste mode en trends en af en toe stond ik ook wel met rode oortjes. Op vrijdagmiddag zette Piet Bos zijn orgel in de fileerhal en werd er met de meer dan honderd fileerders gezongen. Dat ging van psalmen tot smartlappen.”
Mentale instelling
Teunis ontwikkelde zich tot een van de beste fileerders van Urk en had als 17-jarige een loon van rond de 500 gulden. ,,Dat was twee keer meer dan mijn vader als schilder verdiende en soms had ik wel drie keer meer. Dat was ook het voordeel van het stuksloon, al vroeg dat wel een bepaalde instelling. Ik weet nog dat mijn jongere zusje me vroeg of ik haar het fileren ook kon leren. Ik deed het thuis bij het aanrecht voor en ze keek aandachtig hoe ik het mes door de vis haalde. Ik wees haar erop dat ze naar de verkeerde plek keek, ze moest naar mijn mond kijken. Mond dicht en tanden op elkaar. Dat is hoe je met stukloon geld kunt verdienen. Dat is vooral een mentale instelling. Bij Bos Diepvries zorgde de onderlinge strijd ook dat het steeds sneller ging. Er was geen stand ‘rustig aan’, want dan verdiende je niks. Gemiddeld deed een fileerder tien tot vijftien bakken van twintig kilo schol en haalde daar dan zo’n 9 kilo filet uit. De zwarte kant moest je dan huidloos maken. Het aantal bakken liep al snel op en ik heb zelf de grens van 40 bakken schol op een dag nog weten te doorbreken.”
Beloning omhoog
De beloning voor de fileerders ging omhoog toen er meer fileerbedrijven kwamen. In 1972 startten de gebroeders Snoek, waaronder de vader van Teunis, een eigen visverwerkingsbedrijf aan de Industrierondweg op Urk. Een voor die tijd hypermodern bedrijf met fileerruimte, koelcellen en eigen vriescapaciteit. Er kwamen zestig mensen te werken en ook Teunis ging over naar het bedrijf van zijn vader. ,,Daar lag de fileervergoeding vier cent hoger, dus toen moest ook Bos Diepvries de vergoedingen verhogen. Door problemen met contractprijzen stopte het bedrijf van de gebroeders Snoek na een paar jaar en werd het pand overgenomen door de Urker Visaanvoer en Afzetmaatschappij (UVAA), waar Hein Kramer de leiding had. Samen met Hein besloten we om een eigen fileerbedrijfje op te zetten aan de Klifweg, waar we ook een nieuw pand bouwden. Samen met Hein Kramer, Riekelt Loosman, Evert van Veen, Albert van Veen en Kees Visser werd ik aandeelhouder van Eiland Urk. We fileerden daar met tien mensen als loonbedrijf voor andere en konden goed geld verdienen. Ze gingen uit van een rendement van 50% filet met huid op kisten van 40 kilo. Door het overgewicht haalden we hier veel meer rendement uit en kregen dat extra uitbetaald.”
Dat de BV al snel uit elkaar viel had volgens Teunis vooral te maken met de botsende karakters van de aandeelhouders. ,,We besloten om alle aandelen te verkopen aan Hein Kramer en ik ben daar zelf vanaf 1976 blijven werken. Ik ben behoorlijk honkvast, want nog altijd werk ik bij dit bedrijf dat nu Kramers’ Seafood heet. De kleinzoons Hein en Hein staan hier nu aan het roer in een prachtig bedrijf aan het Noordgat. Dat ik daar nog steeds werk zegt wel wat over dat bedrijf en de mensen die hier de leiding hebben.”
‘Hang mij maar op’
Als we met Teunis terugkijken op zo’n lange loopbaan in de vis met stukloon, dan is het best wel bijzonder. ,,Mijn inmiddels overleden vriend Riekelt Loosman zei gekscherend weleens: als je als jongeman voor de rechter had gestaan en die had je veroordeeld om de rest van je werkzame leven op een plankje van vijftig bij vijftig centimeter te gaan staan, dan had je gezegd ‘hang mij dan maar op’. Toch is het vooral de vrijheid geweest die je als fileerder ervaarde. Vooral na het invoeren van het partensysteem, als je een bepaalde hoeveelheid had behaald dan mocht je naar huis. In de praktijk bleef ik meestal wel staan, maar je kon ook om elf uur naar huis gaan. Vooral in de tijd dat er veel rode baars was te vangen op het IJsselmeer dan ging je daarna het water op voor een leuke bijverdienste. Daarnaast gaf het werken in de vis met veel mensen ook wel de nodige gezelligheid.”
Als het gaat over de verdiensten als fileerder heeft Teunis geen klagen. ,,Wekelijks zat ik toch wel 250 gulden boven het gemiddelde loon. Het verdiende veel beter dan het andere werk in de vis en ik heb mijn vrouw Tineke ook meteen overgehaald om het inpakwerk in te ruilen voor het fileren. Maar het is uiteindelijk geen vak waarin je carrière maakt, want fysiek wordt het alleen maar minder. Meevallers waren er ook wel en dat was met name als er andere vissoorten gefileerd werden. Klaas Post importeerde toen de grote, dikke yellowtail flounder, daar verdienden we toen vermogens mee als fileerder.”
Weinig ziekteverzuim
Het fysieke aspect van het beroep is Teunis altijd gunstig gezind geweest. ,,Het is best zwaar werk en dat merkte ik vooral in mijn jonge jaren. Met name het vellentrekken (huidloos maken) was een extra fysieke inspanning, waarbij een scherp mes een voorwaarde was om geen versleten schouder te krijgen. Het was een hele verbetering toen mijn broer Fokke het vooraf huidloos maken van schol ontdekte op een machine die werd gebruikt voor het huidloos maken van tong. Die uitvinding maakte het fileren van de zwarte kant veel lichter. Ik heb me niet vaak verwond, en mag van geluk spreken dat ik het aantal keren in de ziektewet op een hand kan tellen. Bijna elk jaar streek ik de bonus van 1.000 gulden wel op die je kreeg als je dat jaar geen ziektedagen had. Later werden dat vijf extra vrije dagen.”
Zwaar was het werk af en toe wel, met name op de vrijdagen als er voor de verse handel gefileerd werd. ,,Ik heb een keer ’s avonds moeten stoppen omdat mijn hele hand verkrampte. Na een lange dag had ik er 1.200 kilo filet opzitten, vooral verse taaie vis, en het ging gewoon niet meer.”
Sociale voorzieningen
Dat Teunis op zeventigjarige leeftijd nog altijd in de vis staat heeft ook wel een beetje te maken met wat lange tijd de negatieve kant was van het werken ‘in de vis’: de sociale voorzieningen. ,,Dat is sterk verbeterd, maar mijn pensioenvoorzieningen zijn pas van de laatste jaren, dus veel pensioen heb ik niet opgebouwd. Wat ik heb opgebouwd heb ik opgevraagd en in een nieuwe auto gestoken. Geldzorgen hebben we nooit gehad, maar ik werk nu nog vier dagen in de week en ga dat volgend jaar afbouwen naar drie. Mijn vrouw werkt ook nog steeds in de vis bij Kramers’ Seafood en bereikt binnenkort de pensioengerechtigde leeftijd. Mijn schoonouders zouden gezegd hebben: dat werken is meer voor de luxe.”
Verleden tijd
De tijd dat Urk rond de duizend fileerders had is al jaren verleden tijd. Het aantal fileerders houdt heden ten dage op bij enkele tientallen.
,,De aanvoer van schol is nog maar een fractie van toen en het meeste wordt nu verwerkt met fileermachines. Lange tijd ging alleen de kleine schol nog met de hand, dus dat stimuleert ook niet echt. De meeste uren aan de fileertafel heb ik gemaakt in het bedrijf van Eiland Urk aan de Ambachtsweg. Toen we enkele jaren geleden overgingen naar het Noordgat is het fileren ook gestopt en ik doe nu alle voorkomende werkzaamheden. Ik hou het nog wel een tijdje vol en ik doe ook nog altijd aan hardlopen om fit te blijven. Al houdt de jicht me nu al tijden aan de kant, maar gelukkig heb ik hier nu goede tabletjes voor.”
Wat hij tot slot nog wel even kwijt wil is dat de vis in de loop der jaren wel veel magerder is geworden. ,,Ik ga me niet wagen aan wetenschappelijke onderbouwing, maar in de schol 4 zat vroeger geen kuit en nu wel. Veel grove schol ziet er nu in oktober vaak nog uit als een dunne krant, dat had je voor de eeuwwisseling alleen in februari. Ook het fileerrendement is drastisch gedaald, omdat de vis dunner is. Dat scheelt zeker 7 tot 8 procent met vroeger. Wat dat betreft heb ik dus de goede tijd meegemaakt. Dat valt niet onder ‘vroeger was alles beter', want daar heb ik wel de leeftijd voor, maar het is gewoon een feit. Maar misschien is dit wel de natuurlijke situatie en werd de vis toen overvoed met fosfaten. De wetenschappers zullen het wel weten”, lacht Teunis.
Dit verhaal is afkomstig uit de special van Visserijnieuws, van vrijdag 17 april 2026.
