n Bep Mantel-Klein met een oude foto van haar overgrootvader Hendrik Post - in de volksmond bekend als 'ouwe Daniël' - voor Wijk 3-55 en het Urkerlandartikel over de razzia op Urk.
n Bep Mantel-Klein met een oude foto van haar overgrootvader Hendrik Post - in de volksmond bekend als 'ouwe Daniël' - voor Wijk 3-55 en het Urkerlandartikel over de razzia op Urk.

De oorlogstijd op Urk

door de ogen van een kind

Bep Mantel-Klein (87) dacht haar vader kwijt te raken tijdens de razzia van 1944

‘Klik, klak, klik, klak’. Het geluid van de leren soldatenlaarzen over de basalten dam, kan Bep Mantel-Klein zich nog precies voor de geest halen. Als meisje zag en hoorde ze de Duitse soldaten vaak voorbij marcheren. Vanuit hun woonboot in de werkhaven van Urk had de familie Klein vrij zicht op de masten van de Duitse oorlogsschepen. Soms plonsden er bommen van de geallieerden – bedoeld voor de Duitsers – in het water rondom hun boot. ‘Onger de dekens mit je oofd!’, riep haar moeder dan. Ze praatte nooit Urkers tegen Bep en haar zus Anna, behalve als ze boos was. Of bang.


Bep is bijna twee jaar als ze samen met vader Cor, moeder Nelle en haar vier jaar oudere zus Anna in 1940 vanuit Enkhuizen verhuist naar Urk, dat nog maar kort daarvoor een schiereiland is geworden. Aan de dijken en rondom de sluisput vinden op dat moment volop werkzaamheden plaats, waarvoor veel mankracht nodig is. Cor wordt hierover getipt door zijn schoonvader, Reijer Post. De oorlogsdreiging drukt intussen steeds zwaarder op de inwoners van Nederland; als timmerman kan Cor in Enkhuizen niet meer de kost verdienen. De familie ziet zich daarom genoodzaakt de stad te verlaten en laat hun woonboot – eigenhandig gemaakt door Cor – naar de overkant van het IJsselmeer slepen door het schouwtje van Reijer, de UK 263. Op Urk meren ze aan in de werkhaven, in de hoop hier veilig de oorlogsjaren door te komen.


***


‘Kom op Bep, schiet nou op, zo komen we te laat hoor!’ Over het randje van haar sjaal, die haar moeder die ochtend zo warm mogelijk om haar gezicht heeft gewikkeld, ziet Bep in de verte haar zus staan. Ze wuift ongeduldig met haar hand. Bep wil echt wel sneller lopen, maar het gaat gewoon niet. Anna heeft veel langere benen dan zij, en het is zo vreselijk koud. Zo’n harde, gure wind heeft ze nog nooit gevoeld. Zelfs ’s nachts heeft ze er last van, dan fluit de wind met een hoop herrie langs de masten van al die Duitse schepen. Volgens moeder hoort deze wind bij Urk. Nou, zij vindt er helemaal niets aan. Gelukkig is de school hier wel gezellig. In haar klas zitten veel kinderen, met wie ze na school vaak speelt. De dochter van slager Bos op de hoek is haar beste maot, zoals ze dat hier noemen. Hun vaste speelplekje is het plein voor het kerkhof, waar ze urenlang knikkeren. Na school gaan Anna en zij ook vaak naar het kleine huisje van opa Reijer en opoe Anna. Als opa haar blauwrode wangen ziet, schudt hij met zijn hoofd. ‘Dat arme keend!’ Nu de wind vandaag zo tekeer gaat, is voor hem de maat vol. ‘Lot je moe lekker zelluf nor skoel gaon meid. Jie bleeven ier’. Bep vindt het wel best. De kleuterschooltijd slaat ze over en brengt ze door op Wijk 3-55, naast de warme kachel.


***


Dankzij opa Reijer, die visserman is, eet Bep thuis regelmatig vis. Opa vangt zóveel vis, dat haar vader ook een deel apart legt voor zijn ruilhandel. Overdag werkt hij dan wel op de sluisput, ’s avonds trekt hij er vaak op uit op zijn oude fiets. Bep heeft al een paar keer gevraagd of ze mee mag, maar dat gaat niet, zegt haar va. Hij heeft al genoeg lading bij zich: versgerookte aoltjes, in bruin papier verpakt. Eerst dacht Bep dat vader kon toveren: hij ging heen met vis en kwam terug met tarwe of vlees! Nu weet ze dat hij de vis ruilt in de polder bij boeren, die weer tarwe hebben. Van die tarwe maakt moeder lekkere broden. Bep vindt het elke keer wel weer een beetje spannend als haar vader op zijn fiets stapt. Van de Duitsers hebben ze tot nog toe niet veel last gehad, maar voedsel ruilen is verboden, weet Bep. Waarom weet ze niet, misschien omdat ruilen ook mis kan gaan. Zelf is ze al een paar keer een mooie, grote knikker kwijtgeraakt. ‘Van ruilen komt huilen’, zoals haar moeder dan altijd zegt.


Op een avond, als Bep al in bed ligt, hoort ze haar vader thuiskomen van zijn ruiltocht. Aan zijn boze, brommende stem hoort ze meteen dat het mis is. Vader is verraden. Een Duitse soldaat heeft zijn tas vol met vlees afgepakt, net als zijn persoonsbewijs. Moeder is in alle staten. Hier is ze al die tijd al bang voor geweest. Bep ziet genoeg aan haar ogen, die staan elke dag zo bezorgd. Ook nu moet vader haar geruststellen. Morgen mag hij zijn persoonsbewijs ophalen in de haven, hoort Bep hem zeggen. Toch is haar moeder er de volgende dag nog niet gerust op, daarom stuurt ze de kleine Bep mee. Tegen kinderen zijn de soldaten altijd wel aardig, zo denkt ze bij zichzelf; stel je voor dat ze haar Cor daar houden!


Naast haar va huppelt Bep over de dam. Het valt haar alles mee dat ze zomaar mee mag. Als ze het plankier oplopen naar één van de Duitse schepen, zien ze een Duitser van fors formaat staan, kauwend op een stuk karbonade. ‘Kiek hier dr's, meen vlees op te vreten’, mompelt haar va. Wat hij ook probeert, zijn persoonsbewijs krijgt hij niet terug. Wel krijgt Bep een mooie, rode appel in haar handjes gestopt. Fruit! Dat heeft ze al lang niet meer gehad. Trots laat Bep, terug in de woonboot, haar cadeau zien: ‘Kiek ers wat ik ekriegen eaw moe!’ Maar haar moeder zet een paar grote ogen op, grist de appel uit haar handen en gooit hem met één zwaai overboord. ‘Daar kan wel vergif in zitten!’ Beteuterd kijkt Bep naar het water. Ze had er net zo’n zin in…


***


Hun eerste tijd op Urk vindt Bep de soldaten soms wel een klein beetje aardig. Ze groeten haar vriendelijk en lachen altijd naar haar. Als op een keer plots een groepje soldaten naast hun woonark staat, vragen ze netjes of ze een pan mogen lenen. Even later komen ze de pan alweer terugbrengen. Eén van de soldaten vraagt haar zus Anna of ze op zijn schoot wil zitten. ‘Wij hebben ook kinderen thuis. Deze ‘Krieg’ willen wij ook niet’, zo verzekeren ze de familie. Toch schudt Anna heftig het hoofd op het verzoek van de soldaat, Bep kijkt snel een andere kant op, verbeeld je dat hij haar vraagt!

Nu ze langer op Urk woont, vindt ze alle soldaten gemeen. Ze pakken dingen af, veranderden de naam van de Wilhelminaschool in de Willem de Zwijgerschool, nemen gebouwen in en marcheren zomaar rondjes over de dam, alleen om hen bang te maken. Maar het allerergste vindt Bep nog wel dat sommige mensen zich moeten verstoppen voor hen, omdat ze anders opgepakt en zelfs gedood worden. Ze is daarom apetrots op haar vader, die soms die mensen – onderduikers heten ze – tijdelijk onderdak geeft. Hun woonark is de perfecte verstopplek: in de lange gang ligt een kleed en als je dat optilt, kun je onder in het schip komen. Vanaf hun boot hebben ze goed zicht op de dam. In geval van nood, kan haar va snel het kleed optillen, zodat de onderduiker zich kan verstoppen. Voordat de Duitsers bij hen over de brug komen, zit hij of zij al lang onder in de boot. Bep mag tegen niemand iets vertellen, zelfs niet tegen haar beste maot.


Het moment dat de zesjarige Bep beseft dat de Duitsers het niet alleen op de onderduikers, maar ook op de mannen van Urk gemunt hebben, komt op 18 november 1944. Een datum waaraan Bep ook nu nog, anno 2026, levendige herinneringen heeft.


***


In het kleine huisje op Wijk 3-55 heerst een bedrukte stemming. Bep zit stil in een hoekje, om haar heen ziet ze alleen maar angstige gezichten. Alle jongens en mannen op Urk moesten vandaag op bevel van de Duitsers in de school komen. Ze hebben sterke handen nodig in hun werkkampen, ver weg in Duitsland. Wat als ze haar lieve va ook meenemen? En haar opa Reijer, met zijn lekkere King-pepermunten en grapjes, haar oom en overgrootvader? Bep voelt de tranen achter haar ogen branden, ze balt haar handen tot vuisten. Stomme oorlog! Stomme Duitsers! O, als ze het wagen... Dan pakt ze al hun appels en dan gooit ze die - Plots hoort ze gestommel in het gangetje en verschijnt de gestalte van haar overgrootvader Hendrik Post – in de volksmond bekend als ‘ouwe Daniël’ – in de deuropening. ‘Ik bin vrij’ deelt die de bezorgde groep vrouwen en kinderen mee, ‘en Reijer is ok vrij!’ Bep ziet de opluchting op het gezicht van haar opoe. Haar moeder tuurt nog altijd naar buiten, haar ogen zoeken de donkere straat af. Even later meldt ook Beps oom zich in de kamer. ‘Ik bin vrij, maar ik zag dat ze Cor nor een angere zaol brochten…’


De vrouwen slaan de handen voor hun gezicht, iedereen barst in snikken uit. Bep kijkt van de één naar de ander, ze begrijpt het niet. Betekent dit dat haar vader mee wordt genomen? Dat ze hem nooit meer terugziet? Maar nee, kort daarna staat tot ieders opluchting ook Cor veilig in het midden van de kamer. Bep rent naar hem toe, worstelt zich door alle armen en benen heen. Stevig houdt ze haar vader vast, terwijl die zijn verhaal doet. Hij had tegen de Duitsers verteld dat hij hier werk had en ook liet hij hen het briefje in zijn broekzak zien, waarop staat dat hij maar één oog heeft. Vroeger heeft hij bij een ongeluk zijn oog verloren, dat verhaal had hij Bep vaak genoeg verteld. De Duitsers dachten vast dat ze hem niet konden gebruiken. Gelukkig maar. Alle andere mannen en jongens die wél zijn meegenomen, worden in stilte de donkere straten van Urk uitgeleid. Ongetwijfeld zal de gedachte door hun hoofden zijn gegaan: zullen we ooit nog terugkomen op ons dorp en onze geliefden weerzien?


***


Rood, wit en blauw: overal ziet Bep de driekleur hangen. Het is feest op Urk, net als in de rest van Nederland. Bij hen in de woonark is het dubbel feest: op 7 mei 1945 wordt het gezin uitgebreid met een derde dochter, die de naam Boukje krijgt. Geboren op Urk, net als haar moeder. Volgens haar va hangen de mensen allemaal de vlag uit omdat ze een zusje heeft gekregen, maar Bep weet de echte reden wel. De Duitsers zijn eindelijk weg! 

Kort na de oorlog neemt de familie afscheid van hun Urker familie en vrienden, en varen ze terug naar Enkhuizen. Gelukkig brengen ze nog regelmatig een bezoek aan het dorp waar ze samen zo'n bijzondere tijd hebben meegemaakt. Ook in Enkhuizen blijven sommige Urker tradities in ere. Zo staat er elke zaterdag rijst met gebakken vis op tafel in huize Klein. Maar het zit ook, en misschien juist, in de kleine dingen: haar moeder die nog jarenlang garnalen pelt voor een vishandel in Enkhuizen en die zondag liever twee stukken koek voorschotelt dan één. Hoewel Bep zelf 'slechts' voor de helft Urker bloed heeft, trekt ze de laatste tijd al meer naar het dorp uit haar kinderjaren. Als ze op deze zaterdagochtend in haar appartement in Enkhuizen de koffie serveert, doet ze daar een speciaal lepeltje in, met daarop een foto van de Urker vuurtoren. Ze glimlacht: ‘Ja, die kreeg je narregens hè!'

n Een eerste foto van gezin Klein, met daarop Cor, de kleine Anna en Nelle.
n Familie Klein poseert voor de woonark. Achter (vlnr): Bep, Cor, Nelle en Anna. Voor: Boukje en Reijer.
n Reijer Post, de vader van Nelle.
Afbeelding
n Bep gekleed in de 'suundese' Urker dracht.