
Oppassen
Mijn telefoon gaat. 'Wat ben je aan het doen?' Vanaf dat moment niks meer. Ik zet mijn schep aan de kant. Die paddock kan wachten, morgen is er weer een dag. Ik ga lekker op mijn kleindochter passen.
Wie mij pakweg een jaar geleden had verteld dat ik door één telefoontje mijn hele planning aan de kant zou schuiven, had ik op z’n minst wat lacherig aangekeken. Ik ben zo ongeveer altijd druk, drukker, drukst. Verveling of nietsdoen behoren niet tot mijn woordenboek. Een 48-urige dag zou ik ook moeiteloos volproppen. Het is dat ik af en toe echt moe ben, om dan (ongezellig voor hem) zittend naast manlief op de bank in slaap te vallen. Of deze levensstijl mijn gezondheid bevordert, laat ik maar even in het midden. Maar iets van de aard van het beestje en een gedegen opvoeding om vooral nuttig te leven, bepalen tot nog toe mijn leven. Dat ik door één telefoontje ineens alles uit handen laat vallen, verwondert mij zelf nog wel het meest. Sterker nog: op woensdagmorgen, mijn vaste oppasdag, doe ik gewoon niks. Ja, echt niks! Niks ‘nuttigs’ dan. Ik zit op de bank, met haar op schoot. Of op de grond tussen de blokken en speeltjes. Of op mijn bed, met haar in mijn armen. En dan kan ik zowaar zelfs samen een knippien doen op de schone woensdagmorgen, zonder me daar een moment schuldig over te voelen. Het moet niet gekker worden. Alsof ik de tijd van de wereld heb, kan ik haar daarna in de draagzak stoppen om samen de hond uit te laten.
Door haar ogen lijkt de wereld een stuk leuker en op zijn minst vrolijker. En nee, ik ben niet bevooroordeeld, zij ís gewoon een leuke baby. En knap. En bijdehand. Met eigen humor en ze lacht zowat de hele dag. Je kent misschien wel van die bessiens, die het altijd over hun kleinkinderen hebben. Niemand is zo goed als die van hen. Geloof me, het is dat ik me beheers, maar ik zou er ook zo eentje kunnen worden.
Begin dit jaar ben ik begonnen met ontspullen. Ik was heerlijk op weg. Wekenlang gooide of gaf ik dagelijks drie dingen weg. Stapels met tijdschriften, kleren, oud speelgoed, wat dan ook, huppakee, weg ermee. Daar is sinds kort een kentering in gekomen. Kleindochter is de Maxi-Cosi en een los knuffelbeertje ontgroeid. Ze wil de wereld ontdekken. En daar hoort speelgoed bij. Ineens zie ik mezelf vol liefde spullen inslaan. Meed ik vroeger speelgoed met batterij, nu heb ik daar totaal geen moeite mee. Zelfs niet als zoonlief 100 keer op hetzelfde knopje drukt om zijn dochter aan het lachen te krijgen. Al jaaaaren mijd ik de rommelmarkt op Koningsdag. Gewoon omdat ik niet wil kopen, wat een ander ook niet meer wil. En raad eens wie daar maandagmorgen voor achten al in de vernikkelende kou liep? Krek. Om me heen kijkend waar kleindochter vrolijk van zou worden. Even later zeulde ik een leuk karretje met vrolijke blokjes met me mee. Me gewoon niet afvragend wie die blokjes telkens bij elkaar zou zoeken om ze daarna weer op maat en kleur in dat karretje te plaatsen. En me ook niet afvragend waar ik dat karretje zou neerzetten. Zelfs bij manlief ontbrak de corrigerende factor toen ik mijn aankopen liet zien.
Ik weet het niet hoor. Volgens mij zijn wij ons verstand verloren. En ik geniet er ook nog van.