Hondsdolheid
Vroeger wilde ik altijd een hond. Qua formaat minimaal een Mechelse herder. Misschien een Ierse wolfshond of Duitse dog. Maar ik had een afkeer van hondengeur, ik was vies van hun gedrag en, ach ja, gewoon, dat ze geen kleren dragen over hun parts. Dus geen hond. Maar ik vond ze wel heel leuk, dus bedacht ik alvast een naam voor mijn denkbeeldige hond: Manasse. Een prachtige naam. Het betekent iets als ‘doen vergeten’ en Jozef noemt zijn zoon zo omdat God hem al het doorstane leed heeft doen vergeten. Dat leek me een geweldige ervaring, dat je alle doorstane ellende kunt vergeten! Dus vandaar Manasse.
Vervolgens las ik over Daniel Rodriguez, The Singing Policeman, een Amerikaanse politieagent die hulp verleende tijdens nine eleven en die zong in rouwdiensten van slachtoffers. Ik besloot dat mijn tweede hond de naam Daniel Rodriguez zou dragen.
Telkens als ik over iemand iets las wat indruk op me maakte, vernoemde ik een hond naar hem. Op een gegeven moment had ik al acht honden. Thorbecke. Silvester. Vrijdag. Selassi. Barfuß. Exmorra. Het namenlijstje hield ik in mijn hoofd bij, en ik hield moeder trouw op de hoogte. Zij probeerde de namen ook te onthouden.
Intussen was er natuurlijk helemaal geen hond, en die zou er ook niet komen, want ik wilde alleen een gladharige, niet-verharende hond die van voren en van achteren dicht zit, en genderneutraal, zonder kenmerken.
Afgelopen zomer deed Manasse zijn intrede, een forse pluchen Berner Sennenpup. Verrassing van Wiske. Compleet met halsband en naammedaillon.
Zusje heeft tegenwoordig een levende hond. Aanvankelijk was ik vies van hem, maar Oeds was niet vies van mij. Uitzinnig van vreugde stormt hij me tegemoet. Kermend, kreunend en gillend van blijdschap kronkelt hij om me heen en wrijft langs mijn benen, net zolang tot ik aandacht aan hem besteed. Hij heeft me overwonnen met zijn lieve ogen: nu aai ik hem zelfs, hoewel de aaihand dan wel in quarantaine blijft en ik daarna eerst mijn handen ga wassen.
Als ik in de bank zit, drentelt hij rond, likt verwoed over de slecht genezende wond op mijn been –als ware ik Lazarus– en ploft vervolgens pardoes op mijn voeten neer. Alsof hij me verhinderen wil om ooit nog weg te gaan.
Het is zaterdagmiddag en we zitten aan de koffie. Oeds ligt languit te genieten van het samenzijn. Plotseling duikt Kwak met een luid ‘Ooohhhfff nee!’ met haar hoofd in haar trui. ‘Oe vreselijk’, roept Zusje en duikt ook in haar trui. Tot mijn verbazing trekt de een na de ander zijn trui over zijn gezicht.
‘Wat gebeurt er?’ wil ik weten.
‘Dat komt, ij et angere brokken’, verduidelijkt Zusje, ‘dor et ie last van.’
Plotseling heeft de geur mij bereikt. ‘Bweugh!’ Ik weet niet hoe snel ik ook in mijn trui moet schieten.
‘Oeds, jonge! Bee wier an ’t ruften!’ knettert Kuifje.
Ruften? Dat woord ken ik niet. ‘Wienderen!’ vertaalt Floddertje. En dan krijgt Kuifje ineens de slappe lach.
‘Wat is er?’ vraagt Zusje van onder haar trui. Maar hij kan het niet zeggen.
‘Bij oens in de klasse – aaahaha…’
‘Wat?’, vraagt Wiske.
‘Bij oens in de klasse — aaah, te gek, hahaha… is een moatjen…’ – Hij slaat zich op de knieën, loopt rood aan, slaakt allerlei uitroepen, ‘wreed’, ‘what the heck’, ‘ja mien jong’, maar wat er met dat meisje is, wordt niet duidelijk, en ook niet wat dit te maken heeft met de geur die Oeds aan het verspreiden is. Kuifjes lach is aanstekelijk, we zitten allemaal te schudden van het lachen, maar we weten nog niet waarom.
‘Wat is er mit dat moatjen, ik wor nieuwskierig’, zegt Suske.
‘Oh boy. IJ et een vlam’, veronderstelt Kwik.
‘D’r is een moatjen in oenze klasse, in die iet…’ — Een nieuwe lachbui belet Kuifje het spreken.
‘Oe íét ze! Ik wil et nou wieten!’ commandeert Babbel.
Kuifje herpakt zich: ‘Ze iet Rufte.’
‘Wát?! Dat arreme keend!’ roep ik. ‘Zul je dat moatjen nooit plagen? Dat keend kan et niet ellepen.’
‘Dat doenen die ouweluien’, zegt Zwager hoofdschuddend.
Op dat moment slaakt Oeds een luide zucht, rfft… maar die zucht komt niet uit zijn mond, dus duikt iedereen onmiddellijk weer in dekking.
Pff. Doe mij ook een hond… van voren en van achteren dicht, graag.