
Er bleek meer behoefte om te 'voelen' dan ik dacht
door Albert Visser
Starend in het donker hoor ik in de verte de ronkende brommers van Koningsnacht. Echt boos ben ik niet. Ik denk willekeurig aan een zin uit Joe Speedboot van Tommy Wieringa: 'De knalpijpen glansden als bazuinen'. Ja, dat is wat ik hoor: bazuingeschal rond een brandende rotonde. 'Alleen om te laten weten dat ze bestonden, zodat niemand daaraan zou twijfelen, want wat niet weerkaatst, bestaat niet'.
De volgende morgen sjok ik over de rommelmarkt; zo’n Koningsdag moet immers ook weer voorbij. Ik verbaas me over de schaamteloosheid van de medemens. Geld vragen voor deze uitgestalde ellende. Maar dan valt mijn oog op een exemplaar van Tommy Wieringa, het werk waar ik die nacht nog over lag te fantaseren. Ongelezen, dat wel. Ik probeer de verkoopster er wanhopig van te overtuigen dat het lezen van dit jongensboek meer plezier geeft dan de euro die ze ervoor vraagt. Ze dient duidelijk de Mammon; ik reken af en red het boek van de gele container.
Gebogen over dat vuile kleed vol troep, realiseer ik me hoe dierbaar de personages uit dit verhaal me eigenlijk zijn. De kwijlende Fransje Hermans in zijn rolstoel, Engel Eleveld, P.J. en natuurlijk Joe Speedboot. Die naam alleen al: Joe Speedboot. Zoals de naam Lolita de tong in drie stapjes tegen het gehemelte laat tikken, dwingt de naam Joe Speedboot alle lucht uit je lijf.
Fransje is de verteller, de dorpschroniqueur die niet kan praten, maar kijken kan hij als de beste. Hij beschrijft in een ronkend tempo zelfgemaakte bommen, de wijsheden van de samurai en een groep vrienden die een vliegtuig bouwt om een moeder te bespioneren die verdacht wordt van nudisme. En vooral: heel veel armworstelen. Fransje mag dan verlamd zijn, zijn rechterarm is een monsterlijk gewas geworden, een knoestige boomstam van vlees en pezen. François le Bras.
Vorig jaar, nadat ik een dag op een beurs software had staan aanprijzen alsof het rijpe meloenen waren, kwam ik terug in de treurige leegte van het hotel en wilde ik iets voelen. Geïnspireerd door Fransje besloot ik in de lobby wildvreemden uit te dagen voor een toernooi armpje drukken. Er bleek meer behoefte om te ‘voelen’ dan ik dacht. De meeste reizende venten hadden wel zin om zich met mij te meten. Zo bouwden we daar in de lobby een apenrots. Ik, de uitdager, voelde me de koning van de bar, daar in het verre New York. De ene na de andere zakenman legde het tegen me af. Dezelfde sul die de hele dag over software had gepraat, was nu ineens onverslaanbaar.
In mijn euforie riep ik om een echte kampioen. Dat was het moment waarop ik mijn hand overspeelde. Uiteindelijk droop ik af met een gescheurde pees waar ik nog maanden last van zou hebben. Een pijnlijke herinnering aan mijn eigen overschatting, maar ik had wel even mogen proeven van de jongensachtige magie van Wieringa. Dat pakt niemand me meer af.
Ik pak mijn boek op en loop verder over de markt. De bazuinen zwijgen inmiddels; die zijn naar bed.