
Schijtlijsters
Op de achterstraat staat een schuurtje. Met een golfplaten dak. Alle gaten onder de golven heb ik destijds keurig dichtgepurd op eentje na. Toen was de bus pur leeg en ik kon dat later in die week nog wel even afmaken. ‘Later in die week’ is nooit gekomen. De opening is niet groot en doet niks af van het comfort dat het schuurtje met zich meebrengt. Maar sinds een aantal weken weet ik dat het wel zo groot is dat er precies een stronteigenwijze merel door naar binnen kan.
In het schuurtje staat een scooter. Niet zomaar een. Het is een Lambretta 125 LI uit 1964. Het oude model nog, met twee zadels en een reservewiel achterop. Eigenhandig gerestaureerd, met hier en daar wat hulp van Buur. Een plaatje. Ik heb er samen met de vrouw weleens een toertochtje op gemaakt. Maar Jannie d’r gat was te verwend voor het rijgevoel van toen. Wegdoen is geen optie. Een eigenhandig gerestaureerd vehikel gaat op den duur aanvoelen als een tweede vrouw en die ruil je ook niet zomaar in. Lambretta’s eten geen brood en worden alleen maar meer waard. Dus.
Merel had de Lambretta echter ook ontdekt en wilde blijkbaar stijlvol wonen. Samen met haar man sleepte ze takken, stro en prut naar binnen om vervolgens een kasteel van een woning tussen het achterste zadel en het reservewiel te maken. Onderwijl kakten ze naar hartenlust op m’n baby-blauwe kappen. Het werd één grote janboel. Toen ik het leed ontdekte lag mevrouw me inmiddels aan te staren terwijl ze onder haar kont zes eieren had liggen.
Had ik het Jannie maar nooit verteld, dan was de schade nog beperkt gebleven. Maar toen ik haar eenmaal mijn nood had geklaagd met de verwachting dat ze me zou steunen in de plannen om het gat alsnog dicht te purren, kreeg ik de wind van voren: ‘Oe ik zo bruut kon weezen?’ De beesten werden van toen af gezet en gelegd. En een ware attractie voor de kleinkinderen, die het broedproces op de voet gingen volgen. Na het uitkomen van de eieren kakten de merels in familieverband. Om te voorkomen dat de lak beschadigde, kwam ik iedere dag even langs met een emmertje sop. ‘De freule et gewoen een skoonmaker’, klaagde ik bij Jannie. Maar medelijden kreeg ik niet. Na weken van ondraaglijke stress, volgden de jonkies hun ouders door het gat naar de lonkende vrijheid. Daar was Puk zo lief om ze te verzamelen en dood aan de voet van mijn leunstoel te leggen. Alle zes. Keurig op rij. Als jullie me missen dan ben ik om pur.
watwietwillem@outlook.com