De vierde wethouder

Urk krijgt binnenkort een vierde wethouder. Dat had niet gehoeven, het is niet direct geadviseerd door de informateurs, maar een bewuste keuze van de coalitiepartners. Theoretisch mag het, maar Urk heeft nog nooit een vierde wethouder gehad, dus waarom nu wel?

Gesteld wordt dat het geld hiervoor al meerdere jaren in de bijdrage zit die Urk van het Rijk krijgt. Dat is wel nodig ook, want dit zal de komende vier jaar toch al gauw minimaal een half miljoen aan salaris en secretariële ondersteuning en meer gaan kosten. En ik neem aan dat er al wel ergens een kamer is in het gemeentehuis en dat er niet nog eens verbouwd hoeft te worden. Deze extra kosten maken de keuze voor een vierde wethouder opvallend, omdat vrijwel alle partijen in hun programma’s spraken over een versobering van het ambtenarenapparaat en snijden in de kosten.

Dat gezegd hebbende, ik begrijp dat wanneer je vooruit wil, je niet bang moet zijn om te investeren, dus ik zal de laatste zijn die zegt dat dit een heel slecht plan is. Urk is een gemeente met (groei)ambitie — dat hoor ik raadsleden vaak zeggen — en daar past dit dus in. De vraag is natuurlijk wel: hoe ga je de effectiviteit van een extra wethouder meten? Je stopt ergens iets in en daar komt iets uit.

Afgelopen weekend hoorde ik een interview met een vertrekkende wethouder. Het ging met name over een nieuw in te vullen enquête over uitgaan op Urk. Maar tevens werd ook even kort de balans opgemaakt over de afgelopen jaren. Er werd dus gemeten.

Ik hoorde een paar opvallende dingen. Zo heeft de gemeente geïnvesteerd om van een gedoogbeleid met jeugdhonken te gaan naar legalisatie met exploitatievergunning. Er zijn nu 19 honken die hier nu onder vallen. Mooi. Maar is dat veel of weinig? Verder werd vastgesteld dat het horeca-overleg is geïntensiveerd, en dat dat goed loopt. Maar wat is ‘goed’? Ook zou roken uit horeca en honken verdwenen zijn en zou er geen overlast meer zijn. Opvallende constateringen voor iedereen die wel eens ergens op Urk komt.

Het zijn dus zulke opmerkingen die doen vermoeden dat het meten van de effectiviteit van een wethouder lastig kan zijn, heel erg lastig.

Er zijn natuurlijk wel manieren om iets écht te meten. Een goed voorbeeld daarvan is het rioolonderzoek. Kortgezegd: hoeveel drugs zit er in het Urker rioolwater? Dit is met recht een hete-aardappeldossier dat de gemeente steeds voor zich uit wist te schuiven, bang voor negatieve beeldvorming. Begrijpelijk. Maar meten is weten. Geen luchtfietserij of mooipraat, maar harde cijfers.

In januari gaf het college aan dat het rioolwateronderzoek nu op de agenda stond van de uitvoering van de zogenaamde Flevolandse Norm 2.0. En het college gaf toen aan dat de gemeenteraad hierover uiterlijk half 2026 wordt geïnformeerd. En dat is het bijna. Dit lijkt me dus een schone taak voor de nieuwe wethouder rioolzaken om als eerste op te pakken.

Jan van den Berg