Rinke Oost
Rinke Oost

Oorlogsherinneringen uit de jeugd van Rinke Oost

Algemeen
In de aanloop naar 4 en 5 mei besteedt Het Urkerland aandacht aan de oorlog van 1940-1945. Vandaag aandacht voor de oorlogsherinneringen van Rinke Oost, die samen met zijn vader de aangespoelde bemanningsleden van neergestortte vliegtuigen moest bergen.

Opgetekend door Jaap Bakker.

Waarom dit verhaal
Van de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog is veel bekend. Zowel over algemene gebeurtenissen als persoonlijke ervaringen van mensen. Die persoonlijke ervaringen vind ik altijd heel interessant, omdat mensen het als ooggetuige hebben meegemaakt. Vaak zijn de persoonlijke belevenissen alleen in de familie- en vriendenkring bekend door het vertellen aan elkaar. Minder gebeurt het door die verhalen aan het papier toe te vertrouwen, waardoor ze in de vergetelheid raken. Toen Rinke Oost mij van zijn jeugdervaringen uit de oorlog vertelde, vond ik het van belang deze op te schrijven en aan mensen die zich daarvoor interesseren door te geven. Opdat wij niet vergetn!
Rinke is geboren op 3 mei 1930 en woont al bijna 45 jaar in Arnhem met zijn geliefde vrouw Bep Cazant, die hij op Urk leerde kennen toen ze daar als onderwijzeres werkzaam was. Hij is de oudste zoon van aannemer Roelof Tiede Oost en Elisabeth Koffeman, die met hun grote gezin op Wijk 7 nr. 52 woonden.

Hoe was het leven thuis
De woning Wijk 7 nr. 52 met daarnaast een werkplaats was door zijn vader in 1930 gebouwd. In de werkplaats werden naast allerlei timmerwerk voor de huizenbouw ook doodkisten gemaakt. Men had niet zoals nu de beschikking over een rouwcentrum, zodat het kisten van overledenen, zoals drenkelingen, daar ook plaatsvond. Als jongen van 9 jaar was hij daar al vertrouwd mee en vormde het voor hem geen schrikbeeld. Zo groeide hij op met het gebeuren van leven en dood. Ook zijn broers en zusters werden hiermee geconfronteerd en men moet daarbij de omstandigheden van toen in acht nemen. In de schuur werd een kist direct na het overlijden van iemand op maat gemaakt, maar later werden de kisten uit voorraad leverbaar en in het kantoor stonden er een aantal opgeslagen, meestal drie op elkaar. Rinke herinnert zich dat, toen het een keer regende in het najaar, ze thuis verstoppertje aan het spelen waren. Zijn broertje verstopte hij in de bovenste kist en sloot het deksel. Ze konden hem niet vinden en intussen kreeg vader bezoek van een vrouw die hem spreken wilde. Het kantoor werd verboden terrein, terwijl zijn broer zich daar nog in een kist schuil hield. Het gesprek duurde langer dan het geduld van zijn broer. Onverwachts deed hij het deksel omhoog en riep: “Ik wil weer uit”. De vrouw schrok zo, dat ze direct vertrok en niet meer terugkwam.

Thuis hielp iedereen mee bij het schoonmaken van vis, paling roken, water halen uit de pomp bij Jan Woord, helpen met de was, melkbladen plukken voor de 10 tot 15 konijnen enz. Hij leerde ook van vader ze te slachten en kreeg meerdere keren de opdracht de meest vette te slachten. Het gezin had dan weer iets lekkers te eten. Beide zussen Hendrikje en Jent hun taak was moeder in de huishouding te helpen, want in 1940 bestond hun gezin al uit 8 kinderen. Door de taken thuis leerde men verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar en daarnaast bleef er tijd genoeg over om te spelen. Na het middageten was men gewend dat de aardappels voor de volgende dag op tafel kwamen om te schillen. Het was geen verplichting om mee te helpen, maar wie niet meehielp, liep kans dat als de andere dag er niet genoeg waren, hij zijn portie misliep.

Tijdens de oorlog en direct daarna werden op de plek van de werkplaats twee woningen gebouwd. In de eerste woning kwam zijn oom Johannes Oost met zijn vrouw Grietje van de Berg te wonen en in de andere het gezin van Hendrik en Mina Kapitein. De nieuwe werkplaats kwam achter hun woonhuis te staan naast hotel Kroon. Tussen de oude werkplaats en de woning van Jan en Marretje Bos was een overdekte poort, die nu nog herkenbaar is. In deze poort stalde “Japien de Jode”, Jacob Kropveld, zijn kar en handelswaar. Armoede heeft hij thuis gekend toen vader in 1936 failliet ging en zonder inkomsten kwam te zitten. Rinke herinnert zich, dat de kinderen zondags, voordat ze naar de kerk gingen, in de keuken moesten komen. De gezamenlijke spaarpot had ieder kind een vakje. De spaarpot werd op de keukentafel gezet en het deksel losgeschroefd. Daar kregen ze te horen dat er niet genoeg geld was voor de kerkcollecte en ze uit hun spaarpot geld moesten meenemen voor de collectezak. Hiermee gingen alle kinderen akkoord. Het faillissement was ontstaan, doordat zijn vader na het sluiten van de afsluitdijk in Wijk 7 tien woningen voor eigen risico bouwde. Er was gerekend, dat op iedere woning 100 gulden zou worden verdiend. De crisis maakte echter dat hij op elke woning 200 gulden verloor, een onoverkomelijk verlies van 2000 gulden. De woning en de werkplaats bleef zijn eigendom, omdat de woning van vaders ouders werd verkocht en hij door vrienden geholpen werd. De grootouders met nog een oom en tante kwamen toen tot 1939 bij hen inwonen. Gelukkig kreeg zijn vader voor zijn diensten bij de luchtbescherming in die tijd een vergoeding, zodat er toch iets aan inkomen was.

Op school
Rinke was tien jaar toen de oorlog begon en zat op de lagere school. Hij weet nog dat een groep Duitse soldaten over de Lemsterdijk naar Urk kwam en aan Urkers, die onder aan de Slikhoogte stonden, de weg vroegen naar het gemeentehuis. De vlag met hakenkruis hadden ze bij zich om daar op te hangen. De oorlog werd op school merkbaar omdat er het portret van de koningin verdween en het zingen van vaderlandse liederen verboden werd. Ook werd de naam van de Wilhelminaschool verwijderd en in het laatst van de oorlog hadden ze in de wintermaanden vaak vrij omdat er geen brandstof voor de verwarming was. Bij de razzia van november 1944 werden de mannen in de school verzameld om te worden afgevoerd naar Duitsland, waaronder ook een onderwijzer.

Onderduikers thuis
Thuis hadden ze twee onderduikers; Jan Oost, de elektricien, en Gerrit de Boer, de oliehandelaar. De onderduikers sliepen op een bovenkamer aan de achterkant van het huis. Van hen heeft Rinke het schaken geleerd en ’s avonds werd er altijd naar radio Oranje uit Engeland geluisterd. De overwinningen van de geallieerden op de Duitsers werd goed bijgehouden en veel werd daarover met elkaar gesproken. Als er ’s nachts onraad was of overdag een razzia dan konden de onderduikers via een luik in de slaapkamervloer in een schuilplek boven de schuifdeuren van de woonkamer komen. Moeder hielp ze overdag daarbij, maar ’s nachts hielp Rinke haar omdat vader door zijn dienst bij de luchtbescherming vaak niet thuis was. Rinke deed dan het luik dicht en legde het kleed er overheen. Vervolgens haalde hij uit de andere bedden één van de kinderen, zodat het bed van de onderduikers ook beslapen was. Moeder bleef dan beneden en deed pas de deur open als het sein “alles is klaar” van boven werd gegeven.

Bonkaarten
Landelijk vonden er door de verzetsbeweging overvallen op distributiekantoren plaats om bonkaarten voor onderduikers te bemachtigen. Zonder bonkaarten kon men in de winkels niets kopen en omdat onderduikers niet geregistreerd stonden, konden ze niet legaal aan de bonnen komen. Daarom verzorgde het verzet de distributie er van. Op een dag had zijn vader een aantal bonnen bij schilder Chris van Beckhoven gebracht om deze rond te delen op bepaalde adressen. Er moet verraad in het spel zijn geweest, waardoor vader werd gevolgd. Net toen hij de bonkaarten aan Chris had gegeven, stormden de Duitse soldaten naar binnen. Chris wist de bonnen snel onder een emmer in de poort te stoppen. De bonnen werden toch gevonden en, na gefouilleerd te zijn, werd vader meegenomen naar de Gereformeerde pastorie in de Prins Hendrikstraat, waar de Duitse commandant zetelde. Rinke kwam juist uit school toen hij ter hoogte van de winkel van Riekelt de timmerman zijn gearresteerde vader met de Duitsers tegenkwam. Vader beduidde door een knik met zijn hoofd dat hij bij hem moest komen. “Alles weg”, lispelde vader, nog net voor de Duitsers Rinke hardhandig wegduwden. Rinke had het begrepen en vertelde zijn moeder dat vader was opgepakt en alles wat verdacht was uit huis moest. Het voorval liep gelukkig goed af toen vader door bemiddeling van oliehandelaar Klaas de Boer weer naar huis kon.

Het bergen van aangespoelde vliegers
De luchtbescherming had o.a. de taak om er voor te zorgen dat er ’s avonds bij de huizen geen licht zichtbaar was voor vliegtuigen. Ook was het verboden om ’s avonds na acht uur op straat te zijn. De Duitsers hielden hierop controle en als men iemand ontdekte, dan kon er geschoten worden als men wegrende. Hendrik Brouwer (Urkerland) was de commandant van de Luchtbeschermingsdienst en zijn vaste manschappen waren Louwe Kramer, Roelof T. Oost, Toon v.d. Berg, Pieter Pasterkamp en Harm Kramer. Wanneer er een verongelukte vlieger aanspoelde was het meestal de taak van zijn vader die op te halen. Omdat vader na de nachtdienst meestal uitsliep, werden de lijken in de regel ’s middags opgehaald en ging Rinke na schooltijd mee hem te helpen. Als ze het gevonden slachtoffer kwamen werden eerst de zakken leeg gemaakt en de inhoud moest vader bij de Duitsers inleveren. Hoewel het van de Duitsers niet mocht, nam de verzetsbeweging de gegevens over, zodat de identiteit van het slachtoffer bekend was om later de familie te kunnen inlichten. In het begin ging er nog wel eens een Duitser mee. Hiervoor toonden ze later geen belangstelling meer, omdat de lijken vaak weken in zee hadden gelegen, in staat van ontbinding waren, en door de val op het water onthoofd waren. Het bergen was een lugubere zaak voor een jongen van veertien jaar, maar Rinke was hierop voorbereid door ervaring. Eigenlijk geen taak voor een jongen, maar men moet de oorlogsomstandigheden in acht nemen, waarin kinderen vaker taken van volwassenen moesten doen. De verongelukte vliegers werden naar het lijkhuisje op de begraafplaats bij het Kerkje aan de Zee gebracht. Nadat de eerste begrafenissen op Urk plaatsvonden, ging men er later toe over de anderen naar elders te brengen. Vanaf 1944 werden ze weer op Urk begraven, omdat het vervoer problemen gaf.

De melding van een aangespoeld lijk kregen ze van de kantonniers Jurie van Eerde en oom Jan Koffeman. Wel 3 `å 4 keer per week moest vader de tocht langs de dijk maken en bij de berging van ongeveer 70 lichamen hielp Rinke mee. Als een dode uit de stenen werd gehaald, hield vader de schouders vast en Rinke de benen. Een jeugdervaring die bij Rinke geen traumatische gevolgen heeft nagelaten. De gevonden vliegers waren bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen. De vlucht vanaf Engeland naar het Ruhrgebied ging meestal over Noord-Holland, het IJsselmeer (Urk), Oost Nederland en dan Duitsland. Boven Noord-Holland werden er al aangeschoten en deze heeft hij wel in het IJsselmeer zien neerkomen. Per nacht vlogen er op het laatst wel duizend bommenwerpers over met de nodige jagers ter verdediging van de bommenwerpers. Het was altijd een angstig lawaai, omdat je niet wist wat er op het dorp naar beneden zou komen. Gelukkig is dit nooit gebeurd. Op de terugweg werden er uiteraard meerdere aangeschoten. De Duitsers hadden zeer sterke schijnwerpers en wanneer een vliegtuig in de lichtbundel terecht kwam, was het moeilijk om daar weer uit te komen. De afloop was dan meestaal fataal voor toestel en bemanning.

Paard en wagen
Jan Ras (een broer van Wippien Post-Ras, die nu in Talma Haven woont) ging als voerman met paard en wagen mee en reed dan aan de achterkant, de polderkant van de dijk. De kist werd vanaf Urk op de wagen meegenomen, zodat de gehele afhandeling op de dijk plaatsvond. Ze gingen tot 11 kilometer, later de Rotterdamse Hoek genoemd. Verder konden ze niet, omdat het puin van het in 1940 gebombardeerde Rotterdam daar tot over de kruin van de dijk lag en de doorgang belemmerde. Afspraak was dat Urk tot 11 kilometer de berging verzorgde en vanuit Lemmer deed men per boot het andere deel. Met de hygiënische voorzieningen nam men het niet zo nauw. Handschoenen droeg men niet en de handen werden even in het IJsselmeer gewassen als er een boterham op de dijk werd gegeten.

Een keer raakte Jan Ras in paniek toen er twee aangespoelde lichamen meegenomen moesten worden. Hij hield zich meestal op afstand van het bergen omdat hij er niet tegen kon. Toen de eerste kist op de wagen was geladen, draaide Jan de wagen alvast richting Urk. Boven aan de dijk ging hij op de volgende wachten, maar het paard werd ongeduldig en zette plotseling koers naar Urk. Achterhalen kon niet meer zodat zij met een kist achterbleven en het paard met de andere kist zonder begeleiding bij de schuur aankwam. Ze konden er alleen maar om lachen.

Demonstratie
Bij de eerste begrafenissen op Urk, in het begin van de oorlog, liep heel de bevolking uit en werden zo een machtige demonstratie. De baar was bedekt met bloemstukken, een korte toespraak werd gehouden, waarin de familie van de vlieger werd herdacht, de geloofsbelijdenis gelezen, een gezang of psalm gezongen en Ds. van Wieringen bad, hoewel dit verboden was, het Onze Vader in het Engels. Weldra verboden de Duitsers dit openbaar gebeuren en moest de bijzetting in stilte plaatsvinden.

Een gevonden Duitser
Een keer betrof de berging een Duits soldaat in uniform. Een mof! “Weet je hoe we het gaan doen?”, zei vader tegen Rinke. “Net zo als anders”, zei Rinke. “Ja, maar nu gaan we het net doen alsof deze jongen zijn moeder erbij is.” Eerbied ook voor deze Duitse jongen, waar een moeder verdriet over heeft. Een les van vader die Rinke niet licht vergeet. De Duitser werd op het kerkhof bij het Kerkje aan de Zee begraven en later herbegraven op de Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn bij Venray. Zijn identiteit bleef onbekend en op zijn grafkruis, nr. CK 11-273, staat alleen vermeld “Ein Deutscher Soldat”. Rinke bracht met zijn vrouw er een bezoek. 31.000 Duitse soldaten liggen hier begraven. Er is een ontmoetingscentrum voor jongeren om met elkaar te spreken over thema’s zoals tolerantie, acceptatie, vooroordelen, waarden en normen etc.

Opdat wij niet vergeten hoe boze machten ons de vrijheid kunnen ontnemen en hoe duur de vrijheid herverkregen is. Moge het een levensles zijn om ons niet in haat te laten meeslepen in vooroordelen en voorkomen dat mensen elkaar het recht op vrijheid en vrije meningsuiting ontnemen.