Bij de eerste brandspuit moest er met mankracht gepompt worden. De spuit moest met emmertjes water gevuld worden.
Bij de eerste brandspuit moest er met mankracht gepompt worden. De spuit moest met emmertjes water gevuld worden.

Urker brandweer viert 150-jarig bestaan: brandbestrijding was vroeger vooral slepen met emmertjes water

Algemeen

Op zaterdag 29 augustus viert de Urker brandweer het 150-jarig bestaan. Een groot evenement op de haven met als thema ‘Van toen naar nu’. Het laat de ontwikkeling zien van de Urker brandweer van slepen met emmertjes water en handbediende brandspuiten tot een hypermodern wagenpark met een schitterende kazerne.

Velen zullen zich misschien afvragen hoe de brandweer nu bij die 150 jaar komt, want in 2014 werd nog het 75-jarig jubileum gevierd. De Urker brandweer hield 1939 aan als officiële oprichtingsdatum. De oorlogsdreiging zorgde ervoor dat er een Luchtbeschermingsdienst van start ging, waarvan ook brandbestrijding een onderdeel was. Er werd een vrijwilligerskorps samengesteld met Arie de Wit als brandweercommandant. Uitrukken deed men nog met twee handkarren, waarop slangen, straalpijpen en de pomp geladen waren. Het was allemaal nog behelpen, maar in de jaren daarvoor ging het er nog primitiever aan toe. Als er brand kwam, dan moesten de Urkers het zelf maar zien te blussen met emmertjes water.

Een brandspuit

Houten huisje met rieten daken, waarvan de naden waren waren dichtgesmeerd met pek. Een vuurplaats met open vuur in huis en een gat in het dak waardoor de rook kon verdwijnen. De luxe van stenen schoorstenen kwam voor de meeste Urkers pas in de negentiende eeuw. De huisjes waren makkelijk ontvlambaar en het was ook de reden om de vuurbaak met zijn kolenvuur op grote afstand te houden.

Toen de stad Amsterdam het eiland kocht in 1660 kocht, was verplaatsen van de vuurbaak al niet meer mogelijk. Die zou anders te dicht bij de huizen komen te staan, waardoor de vonken de rieten daken in brand zouden steken. Het was een reden om serieus werk te maken van de zeewering om verdere afslag van het eiland te voorkomen.

Om een eventuele brand te bestrijden leverde de stad ook een brandspuit, die ook door de stad werd onderhouden. De brandspuit werd gestald in een berging bij het Kerkje aan de Zee. De brandspuiten moeten met emmertjes water worden gevuld. Er vormde zich een lange rij met mensen die de emmertjes doorgaven vanaf het punt waar water geput of uit zee gehaald kon worden. Er stonden een aantal mannen te pompen om het water op het vuur te spuiten. Het waren de Amsterdamse gebroeders Van der Heyden die rond 1670 de pomp ook voorzagen van een leren brandslang, waardoor de straalpijp ook wat dichterbij kon komen en beter gericht kon worden. Zo’n brandspuit zal ook op Urk gestaan hebben.

De Amsterdamse stadsbouwmeester Creutz, die zich op Urk bezighield met de zeewering, zette zich aan het eind van de achttiende eeuw in om meer bomen op Urk te planten, die het overslaan van vuur tussen de huizen moesten voorkomen.

Nieuwe bergplaats

Bij de bouw van een stenen school in 1819 kreeg de brandspuit daar ook een nieuwe bergplaats. Op deze plek, waar nu De Oude Bakkerij, is gevestigd was de brandspuit wat centraler gesitueerd ten opzichte van de Urker bebouwing.

Urk werd altijd gespaard voor grote branden, in tegenstelling tot het eiland Schokland waar een felle brand in 1775 de complete woonbuurt De Zuidert verwoestte. Alle houten huisjes gingen in vlammen op, waardoor 76 inwoners dakloos raakten.

Dat er op Urk geen grote branden ontstonden was maar goed ook, want het blusmateriaal was in een slechte staat. De leren slangen vergden het nodige onderhoud, en dat liet wel te wensen over. Wel werden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om brand te voorkomen en waren hiervoor bepalingen in gemeentelijke verordening opgenomen. Vanwege brandgevaar was het verboden om langs de openbare weg en op schepen open vuur te dragen. Dit mocht alleen als het goed afgedekt was. Ook mocht je niet met brandende pijpen lopen die niet van een dop waren voorzien. Overtreding werd gestraft met een boete van 1,50 gulden.

Kwaliteit

De vrijwillige brandweer werd gevormd uit de schutterij, een lokale burgerwacht die op Urk bestond uit een aantal landmannen. Zij beschermden het eiland tegen roverij, stonden de enige Urker veldwachter bij en rukten ook uit bij brand in de hoop dat de spuit werkte.

In 1868 kregen alle burgemeester een bericht van de minister van Binnenlandse Zaken dat gemeenten moesten verbieden dat de daken in de kom van de gemeenten met riet gedekt mochten worden. Ook werd aangegeven dat gemeenten geregeld oefeningen met de brandspuit moesten houden. Elk jaar moesten gemeenten hier verslag van doen. Op Urk nam men dat waarschijnlijk niet zo nauw, want het gemeentelijk jaarverslag van 1871 vermeldde: ,,De brandspuit, die sedert jaren onbruikbaar was, is ten vorige jare geheel hersteld en beantwoordt nu volkomen aan zijne bestemming.”

Een anonieme brief in de Provinciale Drentsche en Asser Courant van september 1874 stelde de kwaliteit van de brandblusmiddelen ernstig in twijfel: ‘Den 24sten Julij werd de alhier aanwezige brandspuit beproefd en daarna in hare vochtige bergplaats geborgen. Sedert dien tijd heeft men haar stil laten staan en hare slangen etc. ten prooi der hier zoo menigvuldige ratten gelaten. Wie weet of zij wel eenmaal gesmeerd en of er in al dien tijd wel naar is gezien.’ De Urker briefschrijver vond het onverantwoord dat er zo weinig onderhoud werd gepleegd en ook onvoldoende werd geoefend. ‘Ik noem het een onverantwoordelijke zaak dat hier, waar de huizen zoo buitengewoon digt in elkaar zijn gebouwd.’ Hij noemde de brandmeester als schuldige, want die zou de brandspuit minstens een keer in de drie maanden moeten proberen, zodat het personeel hierdoor geoefend werd.

Landelijk werd hierop weer gereageerd door de inspecteur van brandweermaterialen. Die vond het juist overbodig en slecht voor de brandspuit om de linnen slangen elke drie maanden met zout Zuiderzeewater nat te maken.

Oefeningen

Oefenen gebeurde dus bijna niet, maar de genoemde oefenavond op 24 juli 1873 kostte L. Kramer nog bijna zijn raadslidmaatschap. Negen inwoners van Urk hadden een verzoek ingediend om hem te schorsen wegens overtreding van artikel 12 van de gemeentewet. Dit artikel verbiedt raadslieden om leveringen aan de gemeente te doen. De aanklagers beweerden dat Kramer bij die oefening met de brandspuit twee flessen sterke drank voor de bedienende manschappen had geleverd.

De raadszaal zat stampvol en voor de ramen stonden drommen mensen om het verwachte schandaal mee te maken. Er kwam veel tumult, maar tot een schorsing kwam het niet. Het was namelijk burgemeester Kagei zelf geweest die de flessen drank had laten ophalen bij Kramer.

Gebrekkig

In 1876 vermeldde het jaarverslag dat bij algemene politieverordening een brandweer is samengesteld uit mannelijke ingezetenen tussen 18 en 65 jaar. De directie bestaat uit een commandant, vier brandmeesters en twee plaatsvervangende brandmeesters. Dit jaartal neemt de brandweer nu aan als de eerste installatie van een brandweerkorps.

Met het materieel was het toen droevig gesteld, zo blijkt uit het jaarverslag: ’De brandblusmiddelen zijn zeer gebrekkig. Slechts een brandspuit die echter niet aan het doel kan beantwoorden, wegens gemis van een perspomp tot aanvoer van water.’ Urk was dus nog steeds aangewezen op aanvoer via emmertjes water.

Dat jaar had Urk twee schoorsteenbrandjes. Het jaarverslag meldde dat de oorzaak was gelegen in vervuilde schoorstenen. De brand was geblust door stevige linnen zakken op de schoorsteen te leggen, waarna het vuur verder met water werd geblust.

Het materiaal van de brandweer was opgeslagen in het gemeentelijk pakhuisje op Wijk 1-58.

Vervangingen

De Urker brandspuit werd in de loop der jaren steeds vervangen. De Urcker Courant van 12 juni 1915 meldde dat de oude brandspuit van de gemeente het werk af heeft. Voor noodhulp werd een spuit van de Enkhuizer gemeente gestationeerd. Deze kwam bij het Interneringskamp.

Begin 1916 stond in de krant: ‘Voor de gemeente is dezer dagen een nieuwe brandspuit aangekomen. De beide brandspuitwagens, een zuig- en een perspomp, benevens een groote rol slangen voor geleiding van water, zijn geplaatst in het gemeentegebouw naast de zeilmakerij van de Gebroeders Snijder. Naar we vernemen zal ook weldra een vast personeel als brandweer voor de bediening der brandspuit onder een brandmeester worden aangesteld.’

De schutterij bestond sinds 1907 niet meer, en waren het vrijwilligers die op dat moment voor handen waren die de spuit bedienden. En het duurde altijd wel even voordat de spuit arriveerde. Het water moest uit de haven komen en vanaf die plek moest al het slangenmateriaal naar de brand gelegd worden.

Bij een woningbrand in 1930 berichtte de Urcker Courant: ‘De brand, die vooral op zolder woedde, werd bestreden vanaf het dak met emmers water, die rappe handen in vlug tempo aanreikten. Dit bleek zoo doeltreffend dat de vlammen minderden en men weldra de brand onder de knie had. De spuit had geen dienst te doen. De waterschade was aanzienlijk.’

Verzekeraars

Toen steeds meer Urkers zich tegen brand verzekerden, kwamen de verzekeraars in het geweer. Ze klaagden over onvoldoende brandblusmiddelen op het eiland. Als belanghebbenden besloten de verzekeringsmaatschappijen om de kosten van een nieuwe motorspuit te dragen. Deze motorspuit van het merk Eureka werd in 1932 aangekocht uit Enkhuizen.

Deze werd op Urk meteen getest. De zuigpomp werd op de havenkade bij de stoombootsteiger gezet en de perspomp naast gebouw Jonge Samuel. Op de Botermarkt kon men op die manier met voldoende water spuiten. De krant meldde wel dat de bediening een stuk sneller moest. Het was de bedoeling dat de motorspuit door een paard werd voortgetrokken, maar in de praktijk waren dit gewoon de brandweerlieden. Vanaf de brandweergarage naast de werf van Roos was de route naar de brand altijd naar beneden, maar de brandweerlieden kwamen wel buiten adem aan. Het was na de brand wel een hele klus om de spuit tegen de hoogten weer terug in de garage te krijgen. Maar gelukkig was er dan geen haast bij en waren er altijd genoeg omstanders om te helpen.

De rokerij van Lichtendahl op wat nu de Handelskade is.

Grote brand

In juni 1932 bewees de nieuwe motorspuit meteen goede dienst. In de avond van 9 juni zagen Urkers rook komen uit de visrokerij van Lichtendahl, die toen gelegen was aan de huidige Handelskade. Binnen de kortste keren sloegen de vlammen uit het dak. Het zorgde voor grote paniek, want naast het gebouw waren duizenden kilo’s carbid en benzine opgeslagen en aan de overzijde een opslagplaats van vaten olie en benzine.

De motorspuit en twee handpompen werden ingezet om de brand te blussen. Intussen haalden omstanders de brandbare stoffen uit het naastgelegen pand. Het vuur sloeg over naar de ijsfabriek waar vier gezinnen woonden. De gehele Urker bevolking was op de been en aangrenzende woningen werden uit voorzorg ontruimd. De brandweer haalde muren omver om de brand goed te kunnen bestrijden en slaagde hier uiteindelijk ook in, zodat een grote ramp kon worden voorkomen.

Vanwege het steeds moderner worden van de brandblusmiddelen besloot de gemeenteraad in 1938 om de rol van de brandweer te herzien. Er werd besloten om een klein korps op te richten onder leiding van brandmeester en gemeenteopzichter H. Nentjes. Bij grote branden mocht het brandweerkorps ook nog vrijwilligers inschakelen.

De begroting van de gemeente vermeldde als uitgaven voor de brandweer: 50 gulden voor beloning brandmeester en spuitlieden en 100 gulden voor onderhoud van de brandblusmiddelen.

De opgave van de vrijwilligers voor de afdeling Brandweer van de Luchtbescherming in 1939.

Professioneler

In de praktijk kwam van dit voornemen niet veel terecht. Na de vorming van de Luchtbeschermingsdienst in 1939 werd de brandbestrijding professioneler aangepakt. Bij de inventarisatie van de brandbestrijding bleek dat er geen geoefend personeel was. Er werden allereerst vrijwilligers gezocht, van de drieëntwintig aangezochte personen stelden zich achttien beschikbaar. Allemaal vrijwilligers die de hele week op Urk werkten. Burgemeester Keijzer installeerde het Urker brandweerkorps, waarmee ze ook ambtenaar werden. Dit zorgde nog wel voor wat problemen voor de brandweerlieden die ook raadslid waren, want dan mocht je niet in dienst van de gemeente komen. Hier wisten ze op Urk ook weer een mouw aan te passen door de betreffende personen wel te ontslaan, maar ze mochten aanblijven zolang niet in hun vacature was voorzien.

De mensen waren er dus nu, maar het beschikbare materiaal was verder onder de maat. De motorspuit was verroest en uitgedroogd, omdat hij te lang niet was gebruikt. De twee handpompen waren uit de tijd, maar functioneerden nog wel. Van de 350 meter slang, was 50 meter in zeer slechte staat. Bij brand in het oosten van Urk zou de pomp niet in staat zijn om hier water te krijgen. Ladders bleken helemaal niet aanwezig te zijn. Kortom, de motorspuit moest gereviseerd worden en er moest nieuw materiaal komen. Daarnaast werden er oefenavonden georganiseerd voor de vrijwilligers.

Voor Urk werd 420 gulden beschikbaar gesteld voor aanschaf van armbanden met daarop brandweer, vijf alarmtoeters, twee paar gummilaarzen voor gasverkenners, twee paar gummihandschoenen voor gasverkenners, vier brancards voor vervoer gewonden en nog verbanddozen en een zuurstofkoffer.

In 1942 werd de oude motorspuit vervangen door een spuit van grotere capaciteit: duizend liter per minuut. Hiermee kon men over de toren van de Hervormde kerk spuiten. Ook het bijbehorende slangenmateriaal werd vernieuwd. Van een brandbestendige kleding was nog geen sprake, de brandweerlieden droegen gewoon een oliejas en een helm.

De opgave van het aanwezige brandmateriaal na de oorlog in 1945 door burgemeester Keijzer.

De brandweer oefende regelmatig onder leiding van Klaas Koffeman en die wist ook zijn manschappen te bewaren voor de Duitse razzia in november 1944. Hij liet zijn mannen in vol ornaat aantreden op het plein van de Wilhelminaschool en wist de Duitsers met verve en overredingskracht te overtuigen dat zijn mannen echt onmisbaar waren.

Na eeuwenlang behelpen met emmertjes water, begon het er nu toch een stuk beter uit te zien op Urk als het ging om brandbestrijding. Het ging helemaal vooruit toen de brandweer in 1952 een eigen kazerne met oefenruimte kreeg aan de Klifweg. Pas in 1961 kreeg de brandweer een wagen waarmee ook de brandweermannen konden worden vervoerd. De huidige prachtige garage aan de Industrierondweg laat zien dat de ontwikkelingen bij de brandweer sindsdien niet stilgestaan hebben.

In 1952 kreeg de brandweer een eigen garage met oefenruimte aan de Klifweg.